17. De vrouwen

Zoek uit hoe bekend is geworden dat de Evacuatievloot bewapend is met de Kleine Dokter. Dat heeft de HOOGSTE PRIORITIET. Zoek vervolgens uit wie die zogenaamde Demosthenes is. De Evacuatievloot als Tweede Anderlingenmoord betitelen is gegarandeerd een overtreding van het hoogverraadartikel uit het Reglement en als de PVB deze stem niet kan opsporen en tot zwijgen brengen, dan kan ik geen enkele goede reden bedenken voor het voortbestaan van de PVB.

Blijf ondertussen gewoon doorgaan met het beoordelen van de in beslag genomen bestanden van Lusitania. Het is volkomen idioot dat ze in opstand komen alleen maar omdat we twee dwalende xenologen willen arresteren. Niets in de achtergrond van de landvoogd wees erop dat dit mogelijk zou zijn. Als er een kans bestaat dat er een revolutie heeft plaatsgevonden, wil ik erachter komen wie de leiders van die revolutie zijn.

Pjotr, ik weet dat je je best doet. Dat doe ik ook. Dat doet iedereen. Waarschijnlijk zelfs de mensen op Lusitania. Maar ik ben verantwoordelijk voor de veiligheid en het behoud van de Honderd Werelden. Mijn verantwoordelijkheid is honderd keer zo groot als die van Peter de hegemoon en ik heb maar ongeveer een tiende van zijn macht. Om maar niet te spreken van het feit dat ik bij lange na niet zo’n genie ben als hij. Ongetwijfeld zouden jij en alle anderen liever willen dat Peter nog beschikbaar was. Ik ben alleen maar bang dat we tegen de tijd dat deze zaak ten einde loopt, misschien een nieuwe Ender nodig hebben. Niemand wil een anderlingenmoord, maar als die toch gebeurt, dan wil ik er wel zeker van zijn dat het de anderen zijn die verdwijnen. Als het op oorlog aankomt, is mens nog altijd mens en anderling anderling. Al dat ramangedoe smelt als sneeuw voor de zon als het op overleven aankomt.

Stelt dat je gerust? Geloof je me nu als ik zeg dat ik niet week ben? Zorg jij er dan nu maar voor dat jij ook niet week bent. Zorg ervoor dat ik met een noodgang resultaten krijg. Nu meteen. Veel liefs en een dikke zoen, Bawa.

Gobawa Ekimbo, Voorz. Xen. Comm. v. Toez., aan Pjotr Martinov, Dir. Pari. Veil. Bur., Memo 44:1970:5:4:2; lit. Demosthenes, De Tweede Anderlingenmoord, 87: 1972:1:1:1


Mens wees hun de weg door het bos. De zwijntjes klauterden met gemak helling op en helling af, een rivier over en door dicht kreupelhout. Maar Mens leek er wel een soort dans van te maken; hij holde korte eindjes tegen sommige bomen op terwijl hij andere bomen aanraakte of tegen hen sprak. De andere zwijntjes waren veel bedaarder en deden maar af en toe mee met zijn malle capriolen. Alleen Mandachuva bleef achteraan bij de mensen lopen.

‘Warom doet hij dat?’ vroeg Ender zacht.

Mandachuva begreep een ogenblik totaal niet wat hij bedoelde. Ouanda legde uit wat Ender bedoelde. ‘Waarom klimt Mens in de bomen, raakt hij ze aan of zingt tegen ze?’

‘Hij zingt tegen de bomen over het derde leven,’ zei Mandachuva. ‘Het is ontzettend ongemanierd van hem om dat te doen. Hij is altijd al zelfzuchtig en stom geweest.’

Ouanda keek Ender verbaasd aan en toen keek ze weer naar Mandachuva. ‘Ik dacht altijd dat iedereen erg op Mens gesteld was,’ zei ze.

‘Grote eer,’ zei Mandachuva. ‘Heel wijs.’ Toen gaf Mandachuva Ender een stomp in zijn zij. ‘Maar in één opzicht is hij een idioot. Hij denkt dat jij hem eer zult geven. Hij denkt dat jij hem naar het derde leven zult voeren.’

‘Wat is het derde leven?’ vroeg Ender.

‘De gift die Pipo voor zichzelf hield,’ zei Mandachuva. Toen ging hij sneller lopen tot hij de andere zwijntjes had ingehaald.

‘Snapte jij daar iets van?’ vroeg Ender aan Ouanda.

‘Ik kan nog steeds maar niet wennen aan de manier waarop u hun van die rechtstreekse vragen stelt.’

‘Maar ik krijg niet veel antwoord, wel?’

‘Mandachuva is kwaad, dat is één ding. En hij is kwaad op Pipo, dat is twee. Het derde leven — een gave die Pipo geheim hield. Het zal allemaal wel duidelijk worden.’

‘Wanneer?’

‘Over twintig jaar. Of over twintig minuten. Dat is nou juist zo leuk aan xenologie.’

Ela raakte ook de bomen aan en keek ook af en toe naar de struiken. ‘Allemaal dezelfde boomsoort. En de struiken ook, allemaal dezelfde. Net als die klimplant die tegen de meeste bomen opklimt. Heb jij ooit een andere plantesoort in het bos gezien, Ouanda?’

‘Nooit gemerkt. Ik heb er ook nooit naar gekeken. Die klimplant heet merdona. Volgens ons eten de macios de merdona en de zwijntjes eten de macios. Wij hebben de zwijntjes geleerd hoe ze de merdonawortel eetbaar moeten maken. Voor de amarant. Dus ze betrekken hun voedsel nu lager uit de voedselketen.’

‘Kijk,’ zei Ender.

De zwijntjes stonden allemaal stil, met hun rug naar de mensen en met hun gezicht naar een open plek. Even later hadden Ender, Ouanda en Ela hen ingehaald en keken over hun schouder naar de door de maan verlichte open plek. Het was een heel grote open plek en de grond was kaal en aangestampt. Langs de rand stonden verscheidene blokhutten, maar het midden was helemaal vrij, op één enkele reusachtige boom na, de grootste die ze in het bos gezien hadden.

De stam leek wel te bewegen. ‘Hij zit helemaal vol met macios,’ zei Ouanda.

‘Geen macios,’ zei Mens.

‘Driehonderdtwintig,’ zei Mandachuva.

‘Kleine broeders,’ zei Pijl.

‘En kleine moeders,’ voegde Kommetje eraan toe.

‘En als jullie hen kwaad doen,’ zei Bladeter, ‘doden we jullie ongeplant en smijten we jullie boom omver.’

‘We zullen hen geen kwaad doen,’ zei Ender.

De zwijntjes zetten geen van allen een stap op de open plek. Ze wachtten en wachtten tot er eindelijk in de buurt van de grootste blokhut, bijna recht voor hen, enige beweging te bespeuren viel. Het was een zwijntje. Maar groter dan alle zwijntjes die ze ooit gezien hadden.

‘Een vrouw,’ mompelde Mandachuva.

‘Hoe heet ze?’ vroeg Ender.

De zwijntjes draaiden zich om en staarden hem aan. ‘Ze vertellen heus niet aan óns hoe zij heten, hoor,’ zei Bladeter.

‘Misschien hebben ze wel helemaal geen naam,’ zei Kommetje.

Mens stak zijn arm uit en trok Enders hoofd omlaag zodat hij in zijn oor kon fluisteren. ‘Wij noemen haar altijd Schreeuwer. Maar nooit waar een vrouw het kan horen.’

De vrouw keek naar hen en begon vervolgens een zin of twee in vrouwentaal te zingen — er was geen andere manier om de zoetvloeiende klanken die haar stem voortbracht te beschrijven.

‘Je moet komen,’ zei Mandachuva. ‘Spreker. Jij.’

‘Alleen?’ vroeg Ender. ‘Ik wil liever Ouanda en Ela meenemen.’

Mandachuva sprak luid in vrouwentaal; het leek wel een soort gorgelen vergeleken met de mooie klanken van de stem van de vrouw. Schreeuwer antwoordde met een kort gezang.

‘Ze zegt dat zij natuurlijk mee kunnen komen,’ vertaalde Mandachuva. ‘Ze zegt dat ze immers vrouwen zijn. Ze is niet erg goed op de hoogte van de verschillen tussen mensen en Kleintjes.’

‘Nog één ding,’ zei Ender. ‘Minstens één van jullie, als tolk. Of kent zij Stark?’

Mandachuva gaf Enders verzoek door. Het antwoord was kort en het stond Mandachuva helemaal niet aan. Hij wilde het niet vertalen. Het was Mens die opheldering gaf. ‘Ze zegt dat je elke tolk mag meenemen die je maar wilt, zolang ik het maar ben.’ ‘Dan willen we jou graag als tolk meenemen,’ zei Ender.

‘Jij moet als eerste de geboorteplaats betreden,’ zei Mens. ‘Jij bent uitgenodigd.’

Ender stapte de open plek op en wandelde het maanlicht in. Hij hoorde Ela en Ouanda achter zich aan komen en Mens daar weer achter lopen. Nu kon hij ook zien dat Schreeuwer niet de enige aanwezige vrouw was. In elke deuropening zag hij verscheidene gezichten. ‘Hoeveel zijn er?’ vroeg Ender.

Mens gaf geen antwoord. Ender draaide zich om en keek hem aan. ‘Hoeveel vrouwen zijn er?’ herhaalde Ender.

Mens gaf weer geen antwoord. Pas toen Schreeuwer opnieuw zong, luider nu en op wat gebiedender toon, vertaalde Mens wat zij had gezegd. ‘Op de geboorteplaats, Spreker, mag je alleen praten als een vrouw je iets vraagt.’

Ender knikte ernstig en liep toen terug naar de plaats waar de andere mannen aan de rand van de open plek stonden te wachten. Ouanda en Ela volgden hem. Hij hoorde Schreeuwer achter zijn rug zingen en nu begreep hij waarom de mannen haar die naam hadden gegeven — haar stem was luid genoeg om de bomen te doen schudden. Mens haalde Ender in en trok aan zijn kleren. ‘Ze vraagt waarom je weggaat, je hebt helemaal geen toestemming gehad om te vertrekken. Spreker, dit is heel erg, ze is verschrikkelijk kwaad.’

‘Vertel haar maar dat ik niet gekomen ben om opdrachten te geven of te krijgen. Als ze me niet als gelijke wenst te behandelen, dan behandel ik haar ook niet als gelijke.’

‘Dat kan ik haar niet vertellen,’ zei Mens.

‘Dan zal ze zich dus eeuwig blijven afvragen waarom ik ben weggegaan, nietwaar?’

‘Dit is een hele grote eer, door de vrouwen in hun midden genood worden!’

‘Het is ook een grote eer dat de Spreker voor de Doden hen komt opzoeken.’

Mens bleef een paar tellen stokstijf van de zenuwen staan nadenken. Toen draaide hij zich om en sprak tegen Schreeuwer.

‘Ik hoop dat u weet wat u doet, Spreker,’ mompelde Ouanda.

‘Ik improviseer,’ zei Ender. ‘Hoe vind je het gaan?’

Ze gaf geen antwoord.

Schreeuwer verdween in het grote blokhuis. Ender draaide zich om en begon het bos in te lopen. Bijna onmiddellijk schalde Schreeuwers stem weer over de open plek.

‘Ze beveelt je om te wachten,’ zei Mens.

Ender vertraagde geen moment zijn pas en bevond zich in een oogwenk aan de andere kant van de groep wachtende zwijntjesmannen. ‘Als ze me vraagt om terug te komen, kom ik misschien wel terug. Maar je moet haar vertellen, Mens, dat ik hier niet ben gekomen om te commanderen of gecommandeerd te worden.’

‘Dat kan ik niet zeggen,’ zei Mens.

‘Waarom niet?’ vroeg Ender.

‘Laat mij maar,’ zei Ouanda. ‘Mens, bedoel je dat je het niet kunt zeggen omdat je bang bent, of omdat er geen woorden voor zijn?’

‘Geen woorden. Een broeder die tegen een vrouw wil praten over dat hij haar commandeert en dat zij hem iets verzoekt, die woorden kunnen niet zo omgezegd worden.’

Ouanda lachte tegen Ender. ‘Geen kwestie van mores hier, Spreker. Een taalkwestie.’

‘Begrijpen ze jullie taal niet, Mens?’ vroeg Ender.

‘Mannentaal mag op de geboorteplaats niet gesproken worden,’ zei Mens.

‘Vertel haar dan dat mijn woorden niet in vrouwentaal uitgedrukt kunnen worden maar alleen in mannentaal en vertel haar dat ik — verzoek — of jij mijn woorden in mannentaal mag vertalen.’

‘Je bent een lastpak, Spreker,’ zei Mens. Hij draaide zich om en sprak weer tegen Schreeuwer.

Plotseling weergalmde de hele open plek van de vrouwentaal; er klonken wel tien verschillende melodieën, alsof er een koor aan het inzingen was.

‘Spreker,’ zei Ouanda, ‘u hebt zojuist zo ongeveer elke gedragsregel uit de antropologenpraktijk geschonden.’

‘Welke heb ik nog gemist?’

‘De enige die ik zo gauw kan bedenken is dat u nog niemand van hen gedood hebt.’

‘Wat jij telkens vergeet,’ zei Ender, ‘is dat ik hier niet ben als wetenschapper die hen komt bestuderen. Ik ben hier als ambassadeur om een overeenkomst met hen te sluiten.’

Even plotseling als ze waren begonnen te praten, vielen de vrouwen weer stil. Schreeuwer kwam uit haar huis naar buiten en liep naar het midden van de open plek, waar ze vlak naast de reusachtige boom ging staan. Ze begon te zingen.

Mens antwoordde haar — in de taal van de broeders. Ouanda mompelde een snelle interpretatie. ‘Hij vertelt haar wat u net zei, over hier komen als gelijke.’

Weer barstten de vrouwen in een kakofonie van gezang uit.

‘Hoe denk je dat ze zullen reageren?’ vroeg Ela.

‘Hoe kan ik dat nou weten?’ vroeg Ouanda. ‘Ik ben hier net zo vaak geweest als jij.’

‘Ik denk dat ze het zullen begrijpen en me op die voorwaarden zullen ontvangen,’ zei Ender.

‘Waarom denkt u dat?’ vroeg Ouanda.

‘Omdat ik uit de hemel ben gekomen. Omdat ik de Spreker voor de Doden ben.’

‘Begin alstublieft niet te denken dat u de grote witte god bent,’ zei Ouanda. ‘Dat pakt meestal niet zo goed uit.’

‘Ik ben Pizarro niet,’ zei Ender.

In zijn oor mompelde Jane. ‘Ik begin de vrouwentaal een beetje te begrijpen. De grondslagen van de mannentaal vond ik in de aantekeningen van Pipo en Libo, en de vertalingen van Mens zijn erg nuttig. De vrouwentaal is nauw verwant aan de mannentaal, behalve dan dat hij ouderwetser lijkt — dichter bij de oorsprong, meer oude vormen — en dat alle van-vrouw-tot-man-vormen de gebiedende wijs hebben en alle van-man-tot-vrouw-vormen de smekende wijs. Het vrouwenwoord voor de broeders lijkt verwant met het mannenwoord voor macio, de boomworm. Als dit de taal der liefde is, is het een wonder dat ze er überhaupt nog in slagen om zich voort te planten.’

Ender grijnsde. Het was heerlijk om Jane weer in zijn oor te horen praten, heerlijk om te weten dat hij op haar hulp kon rekenen.

Hij besefte dat Mandachuva Ouanda een vraag had gesteld, want hij hoorde haar gefluisterde antwoord. ‘Hij luistert naar het sieraad in zijn oor.’

‘Is het de zwermkoningin?’ vroeg Mandachuva.

‘Nee,’ zei Ouanda. ‘Het is een…’ Ze zocht moeizaam naar een woord. ‘Het is een computer. Een machine met een stem.’

‘Kan ik er ook een krijgen?’ vroeg Mandachuva.

‘Op den duur wel,’ antwoordde Ender om Ouanda de moeite te besparen te bedenken wat ze hier nu weer op moest antwoorden.

De vrouwen vielen stil en weer klonk alleen de stem van Schreeuwer. Onmiddellijk raakten de mannen verschrikkelijk opgewonden en stonden op hun tenen op en neer te wippen.

Jane fluisterde in zijn oor: ‘Ze spreekt nu zelf mannentaal.’

‘Heel bijzondere dag,’ zei Pijl zachtjes. ‘De vrouwen die mannentaal spreken op deze plaats. Is nog nooit gebeurd.’

‘Ze nodigt je uit om naar voren te treden,’ zei Mens. ‘Als een zuster tot een broeder nodigt ze je uit.’

Meteen stapte Ender de open plaats op en liep recht op haar af. Ook al was ze langer dan de mannen, ze was evengoed minstens vijftig centimeter korter dan Ender en hij liet zich dus onmiddellijk op zijn knieën zakken. Ze keken elkaar recht in de ogen.

‘Ik ben dankbaar dat u mij zo vriendelijk ontvangt,’ zei Ender.

‘Dat kan ik wel in de vrouwentaal zeggen,’ zei Mens.

‘Zeg het evengoed maar in jullie taal,’ zei Ender.

Dat deed hij. Schreeuwer stak een hand uit en streek langs de gladde huid van zijn voorhoofd en langs de ruwe baardstoppels op zijn kin; ze legde een vinger tegen zijn lip en hij deed zijn ogen dicht maar vertrok geen spier toen ze heel voorzichtig haar vinger tegen zijn ooglid plaatste.

Ze begon te praten. ‘Bent u de heilige Spreker?’ vertaalde Mens. Jane verbeterde de vertaling. ‘Hij heeft zelf het woord heilig toegevoegd.’

Ender keek Mens recht in zijn gezicht. ‘Ik ben niet heilig,’ zei hij.

Mens verstijfde.

‘Zeg haar dat.’

Hij stond even in tweestrijd en besloot toen kennelijk toch dat Ender de minst gevaarlijke van de twee was. ‘Dat heilig heeft zij niet gezegd.’

‘Vertel me zo precies mogelijk wat ze zegt,’ zei Mens.

‘Als je niet heilig bent,’ zei Mens, ‘hoe wist je dan wat ze precies zei?’

‘Alsjeblieft,’ zei Ender, ‘wees alsjeblieft oprecht tussen haar en mij.’

‘Tegen jou wil ik wel oprecht zijn,’ zei Mens. ‘Maar als ik tegen haar praat, is het mijn stem die ze jouw woorden hoort zeggen. Ik moet ze heel — voorzichtig stellen.’

‘Wees oprecht,’ zei Ender. ‘Je hoeft niet bang te zijn. Het is belangrijk dat ze precies weet wat ik zeg. Vertel haar dit. Zeg dat ik haar vraag jou te vergeven voor de ruwe manier waarop je haar aanspreekt, maar ik ben een ruwe framling en je moet nu eenmaal precies zeggen wat ik zeg.’

Mens rolde met zijn ogen, maar hij draaide zich weer met zijn gezicht naar Schreeuwer en begon te praten.

Ze gaf een kort antwoord. Mens vertaalde het. ‘Ze zegt dat haar hoofd niet uit een merdonawortel is gesneden. Natuurlijk begrijpt ze dat.’

‘Vertel haar dat wij mensen nog nooit zo’n grote boom gezien hebben. Vraag haar of ze ons wil uitleggen wat zij en de andere vrouwen met deze boom doen?’

Ouanda was ontzet. ‘U gaat wel recht op uw doel af, niet?’

Maar toen Mens Enders woorden vertaalde, liep Schreeuwer onmiddellijk naar de boom, raakte hem aan en begon te zingen.

Nu ze dichter bij de boom stonden, zagen ze de massa wezentjes die op de bast krioelden. De meeste waren niet meer dan vier of vijf centimeter lang. Ze hadden wel iets weg van een foetus, hoewel hun rozige lijfjes met een dun waasje donker haar bedekt waren. Ze hadden hun ogen open. Ze klauterden over elkaar heen in hun worsteling om zich een plaatsje te veroveren bij een van de plakken opdrogende pap die overal op de bast gesmeerd zaten.

‘Amarantpasta,’ zei Ouanda.

‘Baby’s,’ zei Ela.

‘Geen baby’s,’ zei Mens. ‘Deze zijn al bijna groot genoeg om te lopen.’

Ender liep naar de boom toe en stak zijn hand uit. Schreeuwer hield abrupt op met zingen. Maar Ender trok zijn hand niet terug. Hij legde zijn vingers naast een jong zwijntje op de bast. Al klimmend raakte het zijn vingers, klom op zijn hand en klampte zich aan hem vast. ‘Weet je hoe deze heet?’ vroeg Ender.

Doodsbenauwd vertaalde Mens haastig zijn woorden. En gaf Schreeuwers antwoord weer. ‘Deze is een van mijn broeders,’ zei hij. ‘Hij krijgt pas een naam als hij op twee benen kan lopen. Zijn vader is Wroeter.’

‘En zijn moeder?’ vroeg Ender.

‘O, de kleine moeders hebben nooit een naam,’ zei Mens.

‘Vraag het haar toch.’

Mens vroeg het haar. Ze antwoordde. ‘Ze zegt dat zijn moeder heel sterk en moedig was. Ze maakte zich heel dik om haar vijf kinderen te kunnen baren.’ Mens tikte tegen zijn voorhoofd. ‘Vijf kinderen is een heel goed aantal. En ze was dik genoeg om hen allemaal te voeden.’

‘Brengt deze moeder de pap waarmee ze zich voeden?’

Mens keek ontzet. ‘Spreker, dat kan ik niet zeggen. In geen enkele taal.’

‘Waarom niet?’

‘Dat heb ik u toch verteld. Ze was dik genoeg om alle vijf haar kleintjes te voeden. Zet nu die kleine broeder terug en laat de vrouw tegen de boom zingen.’

Ender hield zijn hand weer dicht bij de stam en de kleine broeder kroop gauw weg. Schreeuwer hernam haar gezang. Ouanda keek Ender aan, kwaad over zijn onbezonnenheid. Maar Ela leek opgewonden. ‘Begrijpen jullie het niet? De pasgeborenen voeden zich met het lichaam van hun moeder.’

Ender deinsde ontzet achteruit.

‘Hoe kan je dat zomaar beweren?’ vroeg Ouanda.

‘Moet je ze eens op die boom zien krioelen, net kleine macios. De macios zijn vast voedselconcurrenten van hen geweest.’ Ela wees naar een deel van de boom waar geen papvlekken te zien waren. ‘Er druipt sap uit de boom. Hier in die voren. In de tijd van voor de Descolada waren er natuurlijk insekten die zich met dat sap voedden en de macios en de jonge zwijntjes aten die insekten. Daarom konden de zwijntjes hun genetische moleculen met die van de bomen verbinden. Niet alleen woonden hun kinderen hier, ook de volwassenen moesten voortdurend in de bomen klimmen om de macios weg te jagen. Zelfs toen er nog meer dan genoeg andere voedselbronnen waren, was toch hun hele levenscyclus aan deze bomen gebonden. Al lang voor ze zelf in bomen veranderden.’

‘We zijn hier om de samenleving van de zwijntjes te bestuderen,’ zei Ouanda ongeduldig. ‘Niet hun verre evolutionele verleden.’

‘Ik ben hier bezig met subtiele onderhandelingen,’ zei Ender. ‘Houden jullie dus alsjeblieft je mond en probeer zoveel mogelijk op te steken zonder er gelijk een cursus over te geven.’

Het gezang bereikte een hoogtepunt; er verscheen een barst in de zijkant van de boom.

‘Ze gaan toch déze boom niet voor ons laten omvallen, hè?’ vroeg Ouanda geschrokken.

‘Ze vraagt de boom om haar hart te openen.’ Mens tikte tegen zijn voorhoofd. ‘Dit is de moederboom en het is de enige in ons hele bos. Deze boom mag geen kwaad overkomen, anders zullen al onze kinderen van andere bomen komen en zullen al onze vaders sterven.’

De stemmen van alle andere vrouwen voegden nu zich bij die van Schreeuwer en al gauw gaapte er een groot gat in de stam van de moederboom. Onmiddellijk ging Ender recht voor het gat staan. Het was binnenin te donker om iets te kunnen zien.

Ela haakte haar lichtknuppel los van haar riem en hield hem die voor. Ouanda’s hand vloog naar voren en greep Ela’s pols. ‘Een werktuig!’ zei ze. ‘Die mag je hier niet mee naar toe nemen!’

Ender pakte kalm de lichtknuppel uit Ela’s hand. ‘Het hek is uitgeschakeld,’ zei Ender, ‘en we kunnen ons nu allemaal met Twijfelachtige Bezigheden bezighouden.’ Hij wees met de loop van de lichtknuppel naar de grond en knipte hem aan, waarna hij vlug zijn vinger langs de loop liet glijden om het licht te dimmen en wijder te spreiden. De vrouwen begonnen te mompelen en Schreeuwer streek Mens even over zijn buik.

‘Ik had hun verteld dat jullie ’s nachts kleine maantjes konden maken,’ zei hij. ‘Ik had hun verteld dat jullie die bij je droegen.’

‘Zal het kwaad kunnen als ik dit licht in het hart van de moederboom laat schijnen?’

Mens vroeg het aan Schreeuwer en Schreeuwer stak haar hand uit naar de lichtknuppel. Ze pakte hem met trillende handen beet. Toen begon ze zacht te zingen en kantelde hem een beetje zodat er een heel klein lichtsikkeltje door het gat naar binnen viel. Bijna onmiddellijk deinsde ze terug en richtte de lichtknuppel de andere kant op. ‘Het felle licht verblindt hen,’ zei Mens.

In Enders oor fluisterde Jane: ‘Het geluid van haar stem weerkaatst tegen de binnenkant van de boom. Toen het licht binnenviel, veranderde de echo van frequentie, waarbij een hoge boventoon ontstond en het geluid een andere vorm kreeg. De boom antwoordde door gebruik te maken van het geluid van Schreeuwers eigen stem.’

‘Kun je iets zien?’ vroeg Ender zacht.

‘Ga op je knieën zitten, breng je hoofd naar voren en beweeg mij langzaam voor de opening heen en weer.’ Ender deed wat ze vroeg en liet zijn hoofd traag voor de opening heen en weer gaan om het sieraad in zijn oor een onbelemmerd uitzicht op de boomholte te verschaffen. Jane beschreef wat ze zag. Ender bleef lange tijd onbeweeglijk op zijn knieën zitten. Toen draaide hij zijn hoofd om naar de anderen. ‘De kleine moeders,’ zei Ender. ‘Daarbinnen bevinden zich kleine moeders, allemaal zwanger. Niet meer dan vier centimeter lang. Een van hen is juist aan het baren.’

‘Kun je zien met je oorsieraad?’ vroeg Ela.

Ouanda knielde naast hem neer en probeerde naar binnen te kijken, maar ze zag niets. ‘Een ongelooflijke geslachtelijke dimorfie. De vrouwtjes worden in hun jeugd geslachtsrijp, baren kinderen en sterven.’ Ze vroeg aan Mens: ‘Al deze kleintjes op de buitenkant van de boom, zijn dat allemaal broeders?’

Mens herhaalde haar vraag voor Schreeuwer. De vrouw stak haar hand uit naar een plaats vlak bij een opening in de bast en pakte er een tamelijk groot kind af. Ze zong een paar woorden als uitleg. ‘Dat is een jonge vrouw,’ vertaalde Mens. ‘Zij zal de andere vrouwen gaan helpen bij het zorgen voor de kinderen als ze oud genoeg is.’

‘Is er maar één?’ vroeg Ela.

Ender huiverde en kwam overeind. ‘Die moet steriel zijn of anders hebben ze haar nooit laten paren. Ze kan onmogelijk kinderen gehad hebben.’

‘Waarom niet?’ vroeg Ouanda.

‘Er is geen geboortekanaal,’ zei Ender. ‘De babies eten zich een weg naar buiten.’

Ouanda mompelde een schietgebedje.

Maar Ela was nieuwsgieriger dan ooit. ‘Gô, wat boeiend, zeg,’ zei ze. ‘Maar als ze zo klein zijn, hoe paren ze dan?’

‘Wij brengen ze naar de vaders, natuurlijk,’ zei Mens. ‘Hoe dacht je anders? De vaders kunnen toch moeilijk hierheen komen, nietwaar?’

‘De vaders,’ zei Ouanda. ‘Zo noemen ze hun meest geëerde bomen.’

‘Dat klopt,’ zei Mens. ‘De vaders zijn rijp op de bast. Ze deponeren hun stuifmeel op de bast, in het sap. Wij brengen de kleine moeder naar de vader die de vrouwen hebben uitgekozen. Ze kruipt tegen de bast op en het stuifmeel in het sap komt in haar buik terecht en vult die met kleintjes.’

Ouanda wees sprakeloos naar de kleine uitsteeksels op de buik van Mens.

‘Ja,’ zei Mens. ‘Dit zijn de dragers. De uitverkoren broeder zet de kleine moeder op een van zijn dragers en zij houdt zich daar onderweg naar de vader aldoor heel stijf aan vast.’ Hij streek over zijn buik. ‘Het is de grootste vreugde die we in ons tweede leven kennen. Als we konden zouden we iedere nacht kleine moeders dragen.’

Schreeuwer zong luid en lang en de opening in de moederboom begon zich weer te sluiten.

‘Al die vrouwtjes, al die kleine moeders,’ vroeg Ela. ‘Hebben ze zelfbewustzijn?’

Dat was een woord dat Mens niet kende.

‘Zijn ze wakker?’ vroeg Ender.

‘Natuurlijk,’ zei Mens.

‘Wat hij bedoelt,’ legde Ouanda uit, ‘is: kunnen de kleine moeders denken? Begrijpen ze taal?’

‘Die?’ vroeg Mens. ‘Nee, die zijn niet slimmer dan de cabras. En maar een klein beetje slimmer dan de macios. Ze doen maar drie dingen. Eten, kruipen en zich aan de drager vastklemmen. De kinderen die op de buitenkant van de boom leven, die wel — die beginnen te leren. Ik kan me herinneren dat ik over de bast van de moederboom rondkroop. Ik had toen dus ook al een geheugen. Maar ik ben een van de weinigen die herinneringen hebben die zo ver teruggaan.’

De tranen sprongen Ouanda in de ogen. ‘Al die moeders, ze worden geboren, ze paren, ze baren en ze sterven en dat allemaal in hun prille jeugd. Ze komen er zelfs niet aan toe om te beseffen dat ze leven.’

‘Het is geslachtelijke dimorfie tot in het belachelijke doorgevoerd,’ zei Ela. ‘De vrouwen bereiken al heel vroeg geslachtsrijpheid, maar de mannen bereiken die pas laat. Ironisch, nietwaar, dat de dominerende vrouwen allemaal steriel zijn. Ze regeren de hele stam, maar hun eigen genenmateriaal kunnen ze niet doorgeven—’

‘Ela,’ zei Ouanda, ‘als we nu eens een manier konden ontwikkelen om de kleine moeders hun kinderen te laten baren zonder dat ze verslonden worden. Een keizersnee of zo. Met een eiwitrijk voed-selsubstituut voor het lijk van de moeder. Zouden de vrouwen dan oud genoeg kunnen worden om volwassen te worden?’

Ela kreeg de kans niet om te antwoorden. Ender greep hen allebei bij een arm en trok hen mee. ‘Hoe durven jullie!’ fluisterde hij. ‘Wat zouden jullie ervan vinden als zij een manier konden bedenken om vrouwelijke mensenzuigelingen zwanger te laten worden en kinderen te laten baren die zich zouden voeden met het lijkje van hun moeder?’

‘Waar hebt u het over!’ zei Ouanda.

‘Doe niet zo pervers,’ zei Ela.

‘We zijn hier niet gekomen om de wortels van hun bestaan aan te tasten,’ zei Ender. ‘We zijn hier gekomen om een manier te zoeken waarop we hun wereld met hen kunnen delen. Over honderd of vijfhonderd jaar, als ze genoeg geleerd hebben om zelf veranderingen te kunnen maken, kunnen zij beslissen of ze de manier willen veranderen waarop hun kinderen verwekt en geboren worden. Maar hoe kunnen wij in godsnaam bevroeden wat er met hen zou gebeuren als er plotseling evenveel vrouwen als mannen zouden opgroeien. En wat zouden ze moeten doen? Ze kunnen geen kinderen meer baren, nietwaar? Ze kunnen niet met de mannen wedijveren om vaders te worden, nietwaar? Wat voor nut zouden ze hebben?’

‘Maar nu gaan ze dood zonder ooit geleefd te hebben—’

‘Ze zijn wat ze zijn,’ zei Ender. ‘Zij beslissen wat voor dingen er veranderd moeten worden en niet jullie, die uit jullie blinde mensenperspectief zouden proberen om hen allemaal een vol en gelukkig leven te laten leven, net als wij.’

‘U hebt gelijk,’ zei Ela. ‘U hebt natuurlijk groot gelijk. Het spijt me.’

Voor Ela waren de zwijntjes geen volk maar vreemde uitheemse wezens en Ela was eraan gewend om te ontdekken dat andere dieren niet-menselijke levenspatronen vertoonden. Maar Ender kon zien dat Ouanda nog steeds erg van streek was. Zij had de raman overgang gemaakt: zij beschouwde de zwijntjes als ons in plaats van als hén. Zij accepteerde het ongewone gedrag dat ze kende, zelfs de moord op haar vader, als liggende binnen een aanvaardbaar gebied van anders-zijn. Dit betekende dat zij in feite veel verdraagzamer en goedkeurender tegenover de zwijntjes stond dan voor Ela mogelijk was, terwijl dat haar tegelijk gevoeliger maakte voor onvermoed wreed, beestachtig gedrag onder haar vrienden.

Ender zag ook dat Ouanda na al die jaren omgang met de zwijntjes een van hun gewoontes had overgenomen: op een moment van heftige gemoedsbeweging verstijfde haar hele lijf. En dus herinnerde hij haar aan haar menselijkheid door in een vaderlijk gebaar zijn arm om haar schouder te slaan en haar beschermend naar zich toe te trekken.

Onder zijn aanraking ontdooide Ouanda een beetje en ze lachte zacht en zenuwachtig. ‘Weet u waar ik steeds maar aan moet denken,’ zei ze. ‘Dat de kleine moeders al hun kinderen krijgen en dan ongedoopt sterven.’

‘Als bisschop Peregrino hen weet te bekeren,’ zei Ender, ‘laten ze ons misschien de binnenkant van de moederboom wel met wijwater besprenkelen en het sacrament uitspreken.’

‘Spot niet met me,’ fluisterde Ouanda.

‘Dat deed ik niet. Voorlopig verlangen we alleen van hen dat ze voldoende veranderen om ons in staat te stellen met hen te leven en meer niet. En wij zullen zelf ook net voldoende veranderen om het voor hen draaglijk te maken met ons te leven. Als je daar niet mee wilt instemmen, wordt het hek weer ingeschakeld, want dan zouden we pas echt een bedreiging voor hun voortbestaan zijn.’

Ela knikte instemmend, maar Ouanda was weer helemaal verstijfd. Ender kneep Ouanda plotseling hardhandig in haar schouder. Geschrokken knikte ze instemmend. Hij ontspande zijn vingers weer. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Maar zij zijn wat ze zijn. Wat God hen gemaakt heeft, zo je wilt. Dus probeer hen niet naar je eigen beeld te hervormen.’

Hij keerde terug naar de moederboom. Schreeuwer en Mens stonden te wachten.

‘Neem ons alsjeblieft de onderbreking niet kwalijk,’ zei Ender.

‘Het is in orde hoor,’ zei Mens. ‘Ik heb haar verteld wat jullie aan het doen waren.’

Ender kreeg een zinkend gevoel in zijn maag. ‘Wat heb je haar dan verteld dat we aan het doen waren?’

‘Ik zei dat zij iets met de kleine moeders wilden doen dat ons allemaal meer op mensen zou doen gaan lijken, maar dat jij zei dat ze dat nooit mochten doen en dat je anders het hek weer zou inschakelen. Ik vertelde haar dat jij zei dat wij Kleintjes moeten blijven en dat jullie mensen moeten blijven.’

Ender glimlachte. Zijn vertaling was volkomen correct, maar Mens was zo verstandig geweest om niet op de bijzonderheden in te gaan. Het was denkbaar dat de vrouwen graag zouden willen dat de kleine moeders de geboorte van hun kinderen zouden overleven, zonder dat ze beseften wat een enorme consequenties er aan zo’n eenvoudig lijkende, vermenselijkende verandering zouden vastzitten. Mens was een uitstekende diplomaat; hij vertelde de waarheid en wist toch de hele kwestie te omzeilen.

‘Nou,’ zei Ender. ‘Nu we elkaar dan allemaal kennen, is het tijd om eens ernstig met elkaar te praten.’

Ender ging op de kale grond zitten. Schreeuwer hurkte recht tegenover hem op de grond. Ze zong een paar woorden.

‘Ze zegt dat je ons alles wat je weet moet leren, dat je ons moet meenemen naar de sterren, dat je ons de zwermkoningin moet brengen, dat je haar de lichtknuppel moet geven die deze nieuwe mens meenam, en dat ze anders in het duister van de nacht alle broeders van het bos op jullie zal afsturen om jullie mensen allemaal in jullie slaap te doden en jullie hoog boven de grond te hangen zodat jullie helemaal geen derde leven krijgen.’ Toen hij zag hoe geschrokken de mensen keken, stak Mens zijn hand uit en streek over Enders borst. ‘Nee, nee, begrijp het niet verkeerd. Dat betekent niets. Zo beginnen we altijd als we met een andere stam gaan praten. Denk je soms dat we gek zijn! Natuurlijk zouden we jullie nooit doden! Jullie hebben ons amarant gegeven, de kunst van het pottenmaken en De zwermkoningin en de hegemoon.’

‘Zeg tegen haar dat ze dat dreigement moet terugtrekken anders geven we haar nooit meer wat.’

‘Ik zei toch al, Spreker, dat dit helemaal niets betekent—’

‘Ze heeft het gezegd en ik wil niet met haar praten zolang die woorden niet ingetrokken zijn.’

Mens praatte met haar.

Schreeuwer sprong overeind en liep met haar handen in de lucht luid zingend een rondje om de moederboom.

Mens boog zich naar Ender toe. ‘Ze klaagt tegen de grote moeder en tegen alle vrouwen dat jij een broeder bent die zijn plaats niet weet. Ze zegt dat je grof bent en dat er niet met je te onderhandelen valt.’

Ender knikte. ‘Ja, dat klopt precies. Nu komen we tenminste ergens.’

Novinha zat naast Miro’s bed geknield. Quim en Olhado stonden achter haar. Dom Cristão was bezig om Quara en Grego naar bed te brengen. Het geluid van zijn vals gezongen slaapliedje was nauwelijks hoorbaar boven het geluid van Miro’s moeizame ademhaling uit.

Miro sloeg zijn ogen op.

‘Miro,’ zei Novinha.

Miro kreunde.

‘Miro, je ligt thuis in bed. Je bent over het hek geklommen terwijl het nog ingeschakeld was. Dokter Navio zegt dat je een hersenbeschadiging hebt opgelopen. We weten nog niet of de schade blijvend is of niet. Misschien ben je gedeeltelijk verlamd. Maar je leeft nog, Miro, en Navio zegt dat hij een heleboel kan doen om je de functies die je misschien hebt verloren te leren compenseren. Begrijp je het? Ik vertel je de waarheid. Misschien gaat het voorlopig allemaal heel beroerd, maar het is de moeite waard het te proberen.’

Hij kreunde zacht. Maar het was geen uiting van pijn. Het leek wel of hij probeerde te praten en het niet wilde lukken.

‘Kan je je kaak bewegen, Miro?’ vroeg Quim.

Langzaam ging Miro’s mond open en dicht.

Olhado hield zijn hand een meter boven Miro’s hoofd en bewoog die door de lucht. ‘Kun je je ogen de beweging van mijn hand laten volgen?’

Miro’s ogen volgden. Novinha kneep in Miro’s hand. ‘Voelde je dat ik in je hand kneep?’

Miro kreunde opnieuw.

‘Doe je mond dicht voor nee,’ zei Quim, ‘en doe je mond open voor ja.’

Miro deed zijn mond dicht en zei: ‘Mm.’

Novinha kon zich niet goedhouden; ondanks haar bemoedigende woorden was dit het verschrikkelijkste dat ooit een van haar kinderen was overkomen. Toen Lauro zijn ogen verloor en Olhado werd — ze haatte die bijnaam maar gebruikte hem nu zelf ook — had ze gedacht dat er niets ergers kon gebeuren. Maar Miro, verlamd en hulpeloos, zodat hij zelfs de aanraking van haar hand niet kon voelen, dat was onverdraaglijk. Ze had verdriet gevoeld toen Pipo stierf en een ander soort verdriet toen Libo stierf en bij Marcão’s dood een verschrikkelijke wroeging. Ze herinnerde zich zelfs de schrijnende leegte van toen ze toekeek terwijl ze haar vader en haar moeder in de grond lieten zakken. Maar er was geen pijn zo erg als te moeten aanzien hoe je kind leed zonder dat je iets kon doen om te helpen.

Ze stond op om de kamer uit te gaan. Omwille van hem zou ze haar tranen stilletjes en in een ander vertrek laten stromen.

‘Mm. Mm. Mm.’

‘Hij wil niet dat je weggaat,’ zei Quim.

‘Ik blijf wel als je dat wilt,’ zei Novinha. ‘Maar je moet weer slapen. Navio zei dat je voorlopig zoveel mogelijk moet slapen—’

‘Mm. Mm. Mm.’

‘Wil niet slapen ook,’ zei Quim.

Novinha onderdrukte haar neiging om tegen Quim te snauwen dat ze zijn antwoorden heel goed zelf kon horen. Dit was geen moment om ruzie te maken. Bovendien had Quim het systeem bedacht dat Miro gebruikte om te communiceren. Hij mocht daar met recht trots op zijn, mocht best net doen of hij Miro’s stem was. Het was zijn manier om te bevestigen dat hij bij het gezin hoorde. Dat hij er niet uitstapte vanwege wat hij vandaag op het praça te horen had gekregen. Het was zijn manier om haar te vergeven en dus hield ze haar mond.

‘Misschien wil hij ons wel wat vertellen,’ zei Olhado.

‘Mm.’

‘Of iets vragen?’ zei Quim.

‘Ma. Aa.’

‘Nou, mooie boel,’ zei Quim. ‘Als hij zijn handen niet kan bewegen, kan hij niet schrijven.’

‘Sem problema,’ zei Olhado. ‘Lezen. Hij kan lezen. Als we hem binnen voor het werkstation zetten kan ik dat op letterscannen zetten en hij zegt gewoon ja als de letter die hij wil hebben in beeld is.’

‘Maar dat duurt eeuwen,’ zei Quim.

‘Wil je dat proberen, Miro?’ vroeg Novinha.

Dat wilde hij.

Ze droegen hem met zijn drieën naar de voorkamer en legden hem daar op het bed. Olhado stelde het werkstation zo in dat het hele alfabet zichtbaar werd en Miro het beeld kon zien. Hij maakte een kort programmaatje dat ervoor zorgde dat de letters een voor een gedurende een deel van een seconde oplichtten. Er moest een paar maal worden proefgedraaid om de juiste snelheid te bepalen — langzaam genoeg om Miro de gelegenheid te geven om een geluid te maken dat deze letter betekende, voor de volgende letter al weer oplichtte.

Miro deed op zijn beurt zijn best om de procedure te bekorten door opzettelijk zijn woorden af te korten.

Z-W-IJ-N.

‘Zwijntjes,’ zei Olhado.

‘Ja,’ zei Novinha. ‘Waarom klom je over het hek met de zwijntjes?’

‘Mmmmm!’

‘Hij wil een vraag stellen, moeder,’ zei Quim. ‘Hij wil geen vragen beantwoorden.’

‘Aa.’

‘Wil je weten hoe het met de zwijntjes is die bij je waren toen je over het hek klom?’ vroeg Novinha. Dat wilde hij. ‘Ze zijn het bos weer ingegaan. Met Ouanda en Ela en de Spreker voor de Doden.’ Vlug vertelde ze hem over de bijeenkomst in het kantoor van de bisschop, wat ze over de zwijntjes te weten waren gekomen en vooral ook wat ze hadden besloten. ‘Toen ze het hek uitschakelden om jou te redden, Miro, was dat een beslissing om tegen het Parlement in opstand te komen. Begrijp je dat? Het is afgelopen met de regels van de commissie. Het hek is nu niet anders dan een groot stuk gaas. De poort blijft open.’

De tranen sprongen Miro in de ogen.

‘Is dat alles wat je wilde weten?’ vroeg Novinha. ‘Je moet eigenlijk slapen.’

Nee, zei hij. Nee nee nee nee.

‘Wacht tot zijn ogen droog zijn,’ zei Quim. ‘Dan gaan we weer letters kiezen.’

D-I-G-A-F-A-

‘Diga ao Falante pelos Mortos,’ zei Olhado.

‘Wat moeten we aan de Spreker vertellen?’ vroeg Quim.

‘Je moet nu gaan slapen, dat kun je ons later wel vertellen,’ zei Novinha. ‘Het duurt nog uren voor hij terugkomt. Hij is aan het onderhandelen over gedragsregels om de verhouding tussen ons en de zwijntjes te regelen. Om ervoor te zorgen dat ze niemand van ons meer doden zoals ze Pipo en L- jullie vader dooden.’

Maar Miro wilde niet gaan slapen. Hij bleef zijn boodschap spellen terwijl de letters een voor een oplichtten. Gedrieën wisten ze erachter te komen wat hij hen aan de Spreker wilde laten vertellen. En ze begrepen dat hij wilde dat ze nu meteen naar hem toegingen, voor de onderhandelingen ten einde waren.

En dus liet Novinha Dom Cristão en Dona Cristã op haar huis en haar jongste kinderen passen. Onderweg naar buiten bleef ze even naast haar oudste zoon staan. De inspanningen hadden hem uitgeput; zijn ogen waren dicht en zijn ademhaling was heel regelmatig. Ze streelde zijn hand, hield hem even in de hare en kneep er zachtjes in; hij kon haar aanraking niet voelen, wist ze, maar dit deed ze meer om zichzelf te troosten.

Hij deed zijn ogen open. En heel zachtjes voelde ze zijn vingers om de hare verstrakken. ‘Ik voelde het,’ fluisterde ze tegen hem. ‘Je wordt weer beter.’

Hij kneep zijn ogen dicht tegen de tranen. Zij stond op en liep naar de deur. ‘Ik heb iets in mijn oog,’ zei ze tegen Olhado. ‘Hou even een stukje mijn hand vast tot ik weer goed kan zien.’

Quim stond al bij het hek. ‘De poort is veel te ver!’ riep hij. ‘Kun je erover klimmen, moeder?’

Dan kon ze, maar makkelijk was het niet. ‘Eén ding is zeker,’ zei ze. ‘Bosquinha zal ons toestemming moeten geven om hier ter plaatse een tweede poort te maken.’

Het was inmiddels laat, al ver voorbij middernacht, en Ouanda en Ela werden slaperig. Ender niet. Hij was urenlang uiterst gespannen aan het onderhandelen geweest met Schreeuwer; zijn stofwisseling had daarop gereageerd en zelfs als hij nu rechtstreeks naar huis was gegaan, zou het uren geduurd hebben voor hij zou kunnen slapen.

Hij wist nu veel meer over wat de zwijntjes wensten en nodig hadden. Hun bos was hun huis, hun land; een andere definitie van eigendom hadden ze nooit nodig gehad. Maar nu hadden de amarantakkers hun laten zien dat de prairie toch ook bruikbaar grondgebied was dat beheerd moest worden. Toch hadden ze maar weinig benul van grondmaten. Hoeveel hectares hadden ze nodig als bouwland? Hoeveel land konden de mensen gebruiken? Aangezien de zwijntjes zelf nauwelijks begrepen wat hun behoeften waren, kon Ender hen maar heel moeizaam ergens op vastleggen.

Maar het beginsel van wet en regering was nog veel moeilijker. De vrouwen waren de baas; voor de zwijntjes lag het zo eenvoudig. Maar Ender had hun toch eindelijk aan het verstand weten te brengen dat mensen hun wetten op een andere manier maakten, en dat mensenwetten van toepassing waren op mensenproblemen. Om hen te laten begrijpen waarom mensen hun eigen wetten nodig hadden, moest Ender hun het menselijke paargedrag uitleggen. Hij vond het vermakelijk te merken dat Schreeuwer ontzet was bij de gedachte dat volwassenen met elkaar paarden en dat de stem van de mannen gelijkwaardig was aan die van de vrouwen bij het vaststellen van de wetten. Het idee van familie en verwantschap los van de stam was ‘broederblindheid’ voor haar. Ze vond het prima dat Mens zo trots was op de vele paringen van zijn vader, maar wat de vrouwen betrof, die kozen vaders uitsluitend op basis van wat goed was voor de stam. De stam en het individu — dat waren de enige entiteiten waar de vrouwen ontzag voor hadden.

Maar uiteindelijk begrepen ze toch dat binnen de grenzen van mensennederzettingen mensenwetten moesten gelden en dat zwijntjeswetten binnen de zwijntjesstammen moesten gelden. Waar de grenzen moesten komen te liggen, was weer een heel andere kwestie. Nu, na drie uur, waren ze het eindelijk over één, maar niet meer dan één ding eens: in het bos gold de zwijntjeswet en alle mensen die het bos betraden waren daaraan onderworpen. Mensenwetten golden binnen het hek en alle zwijntjes die daar kwamen waren ondergeschikt aan het gezag van de mensenregering. De rest van de planeet zou later wel verdeeld worden. Het was een heel klein overwinninkje, maar er was tenminste enige overeenstemming.

‘Jullie moeten begrijpen,’ zei Ender tegen haar, ‘dat mensen een heleboel open land nodig zullen hebben. Maar wij zijn nog maar het begin van het probleem. Jullie willen dat de zwermkoningin jullie komt onderwijzen, dat ze jullie helpt om erts uit de grond te halen en metaal te smelten en werktuigen te maken. Maar zij zal ook land nodig hebben. En over zeer korte tijd zal zij veel sterker zijn dan mensen of Kleintjes.’ Hij legde uit dat elke kruiperd haar feilloos gehoorzaamde en eindeloos hard werkte. Met hun produktiviteit en hun macht zouden ze de mensen al gauw overvleugelen. Als ze eenmaal op Lusitania weer tot leven was gekomen, zou er bij elke gelegenheid rekening met haar moeten worden gehouden.

‘Wroeter zegt dat we haar kunnen vertrouwen,’ zei Mens. En, Schreeuwers woorden voor hem vertalend: ‘De moederboom geeft de zwermkoningin ook haar vertrouwen.’

‘Maar willen jullie haar je land geven?’ bleef Ender aandringen.

‘De wereld is groot,’ vertaalde Mens voor Schreeuwer. ‘Zij kan alle bossen van de andere stammen gebruiken. Jullie ook. We geven die uit eigen vrije wil aan jullie.’

Ender keek Ouanda en Ela aan. ‘Dat is allemaal heel mooi,’ zei Ela, ‘maar kunnen zij die bossen wel weggeven?’

‘Geen sprake van,’ zei Ouanda. ‘Ze voeren zelfs oorlog met de andere stammen.’

‘We willen ze voor jullie doden als ze jullie last bezorgen,’ bood Mens aan. ‘Wij zijn nu erg sterk. Driehonderdtwintig baby’s. Over tien jaar kan geen stam ons meer weerstaan.’

‘Mens,’ zei Ender, ‘zeg tegen Schreeuwer dat we nu alleen met deze stam onderhandelen. Later onderhandelen we wel met de andere stammen.’

Mens vertaalde het zo snel dat hij over zijn woorden struikelde en Schreeuwer antwoordde onmiddellijk. ‘Nee nee nee nee nee.’

‘Waar heeft ze bezwaar tegen?’ vroeg Ender.

‘Jullie gaan niet met onze vijanden onderhandelen. Jullie zijn bij óns gekomen. Als jullie naar hen toegaan, dan zijn jullie ook vijanden.’

Precies op dat moment verschenen lichtvlekken in het bos achter hun rug en brachten Pijl en Bladeter Novinha, Quim en Olhado naar de open plek van de vrouwen.

‘Miro heeft ons gestuurd,’ legde Olhado uit.

‘Hoe is het met hem?’ vroeg Ouanda.

‘Hij is verlamd,’ zei Quim botweg. Het bespaarde Novinha de moeite om het voorzichtig uiteen te zetten.

‘Nossa Senhora,’ fluisterde Ouanda.

‘Maar dat zal voor een groot deel tijdelijk zijn,’ zei Novinha. ‘Voor ik het huis uitging, kneep ik in zijn hand. Hij voelde het en kneep terug. Heel zachtjes, maar de zenuwverbindingen zijn dus niet dood, niet allemaal in ieder geval.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Ender, ‘maar dit gesprek kunnen jullie straks in Milagre wel voortzetten. Ik moet hier andere zaken regelen.’

‘Vergeef me,’ zei Novinha. ‘Miro’s boodschap. Hij kon niet praten maar hij heeft hem ons letter voor letter gespeld en wij gisten naar wat er op de open plekken moest komen te staan. De zwijntjes maken plannen voor een oorlog. Ze willen gebruik maken van de voorsprong die ze met onze hulp hebben verworven. Pijlen, hun grotere aantal — ze zouden onweerstaanbaar zijn. Maar voor zover ik het begreep, zegt Miro dat hun oorlogen niet uitsluitend een kwestie van gebiedsuitbreiding zijn. Ze zijn een gelegenheid voor genenuitwisseling. Mannelijke exogamie. De winnende stam mag de bomen gebruiken die uit de lijven van de gesneuvelden groeien.’

Ender keek naar Mens, Bladeter en Pijl. ‘Het is waar,’ zei Pijl. ‘Natuurlijk is het waar. Wij zijn nu de wijste stam. Wij zullen allemaal veel betere vaders zijn dan alle andere zwijntjes.’

‘Ik begrijp het,’ zei Ender.

‘Daarom wilde Miro dat we nu vannacht nog naar jullie toekwamen,’ zei Novinha. ‘Nu de onderhandelingen nog niet zijn afgesloten. Daar moet een eind aan komen.’

Mens stond op en begon op en neer te springen alsof hij aanstalten maakte om op te stijgen en weg te vliegen. ‘Dat ga ik niet vertalen,’ zei Mens.

‘Dan doe ik het wel,’ zei Bladeter.

‘Stop!’ schreeuwde Ender. Zijn stem klonk veel luider dan hij tot nu toe had laten horen. Onmiddellijk viel iedereen stil en de echo van zijn schreeuw leek wel tussen de bomen te blijven hangen. ‘Bladeter,’ zei Ender, ‘ik wens geen andere vertaler dan Mens.’

‘Wie ben jij dat je mij kunt vertellen dat ik niet tegen de vrouwen mag praten? Ik ben een zwijntje en jij bent niets.’

‘Mens,’ zei Ender, ‘zeg tegen Schreeuwer dat als zij Bladeter toestáat om woorden te vertalen die wij mensen onder elkaar gezegd hebben, dat hij dan een spion is. En als zij hem toestaat om ons te bespioneren, gaan we nu meteen naar huis en krijgen jullie helemaal niets van ons. Dan neem ik ook de zwermkoningin mee naar een andere wereld om haar tot leven te laten komen. Begrijp je dat?’

Natuurlijk begreep hij het. Ender wist ook dat Mens in zijn sas was. Bladeter probeerde de rol van Mens over te nemen en hem in diskrediet te brengen — samen met Ender. Toen Mens klaar was met het vertalen van Enders woorden, zong Schreeuwer tegen Bladeter. Beschaamd trok hij zich terug in het bos om daar met de andere zwijntjes toe te kijken.

Maar Mens was geenszins een marionet. Hij liet uit niets blijken dat hij dankbaar was. Hij keek Ender recht in zijn ogen. ‘Je zei dat je niet zou proberen om ons te veranderen.’

‘Ik zei dat ik niet zou proberen om jullie meer dan strikt nodig te veranderen.’

‘Waarom is dit nodig? Dit is iets tussen ons en de andere zwijntjes.’

‘Voorzichtig,’ zei Ouanda. ‘Hij is erg van streek.’

Voor hij enige hoop kon koesteren om Schreeuwer over te halen, zou hij eerst Mens moeten overtuigen. ‘Jullie zijn onze eerste vrienden onder de zwijntjes. Jullie hebben ons vertrouwen en we houden van jullie. We zullen nooit iets doen dat schadelijk voor jullie is. Maar we zijn niet alleen voor jullie gekomen. Wij zijn vertegenwoordigers van de hele mensheid, en we zijn gekomen om alles wat we weten aan alle zwijntjes te leren. Van wat voor stam ze ook zijn.’

‘Jullie vertegenwoordigen de hele mensheid helemaal niet. Jullie staan op het punt om oorlog te gaan voeren met andere mensen. Hoe kunnen jullie dan beweren dat ónze oorlogen slecht zijn en jullie oorlogen goed?’

Pizarro, met al zijn tekortkomingen, had het bij Atahualpa vast heel wat makkelijker gehad. ‘Wij proberen juist een oorlog met andere mensen te vermijden,’ zei Ender. ‘En als we toch oorlog moeten voeren, dan is dat niet ónze oorlog waarin we proberen de overhand op hen te krijgen. Dan is het jullie oorlog waarin we zullen proberen voor jullie het recht om tussen de sterren te reizen te veroveren.’ Ender stak zijn hand naar voren met de handpalm naar boven gekeerd. ‘We hebben onze menselijkheid opzij gezet om samen met jullie ramen te worden.’ Hij balde zijn hand tot een vuist. ‘Hier op Lusitania zullen mens en zwijntje en zwermkoningin één zijn. Alle mensen. Alle kruiperds. Alle zwijntjes.’

Mens bleef dit zwijgend zitten verwerken.

‘Spreker,’ zei hij uiteindelijk. ‘Dit is erg moeilijk. Tot jullie mensen kwamen, waren de andere zwijntjes er altijd alleen maar om gedood te worden en ons in hun derde leven als slaaf te dienen in bossen waar wij de baas waren. Dit bos was ooit een slagveld en de oudste bomen zijn de krijgers die omkwamen in de strijd. Onze oudste vaders zijn de helden uit die oorlog en onze huizen zijn gebouwd van de lafaards. Ons hele leven bereiden we ons erop voor om veldslagen te winnen van onze vijanden zodat onze vrouwen een moederboom in een nieuw strijdbos kunnen maken waardoor zij machtig en groot zullen worden. De afgelopen tien jaar hebben we pijlen leren gebruiken om van veraf te doden. Potten en cabrahuiden om water te vervoeren door droge gebieden. Amarant en merdonawortels om sterk en talrijk te worden en om ver van de macios van ons thuisbos toch voedsel te kunnen meenemen. Wij genoten daarvan omdat het betekende dat we altijd alle oorlogen zouden winnen. We zouden onze vrouwen, onze kleine moeders en onze helden naar alle uithoeken van de grote wereld brengen en uiteindelijk ook naar de sterren. Dit is onze droom, Spreker, en nu vertel jij me dat we die maar moeten laten waaien als wind in de lucht.’

Het was een sterke toespraak. Geen van de anderen deed Ender een suggestie voor een antwoord. Mens had hen al half weten te overtuigen.

‘Jullie droom is een goede droom,’ zei Ender. ‘Het is de droom van elk levend wezen. Het verlangen dat de wortel is van het leven zelf: blijven groeien tot alle ruimte die je kunt overzien een deel van jezelf is, in jouw macht is. Het is het verlangen naar grootsheid. Maar er zijn twee manieren om dat verlangen te vervullen. De ene manier is om alles wat je niet zelf bent te doden, om het op te slokken of te vernietigen tot er niets meer over is dat zich tegen jou kan verzetten. Maar die manier is slecht. Jullie zeggen tegen het hele heelal: Alleen ik zal groot zijn, en om ruimte voor mij te maken moeten jullie allemaal opgeven wat jullie al hebben en in het niets verdwijnen. Begrijp je dan niet, Mens, dat als wij mensen zo voelden, zo handelden, wij elk zwijntje op Lusitania zouden kunnen doden om van deze planeet onze thuisplaneet te maken. Hoeveel zou er van jullie droom overblijven als wij slecht waren?’

Mens deed erg zijn best om het te begrijpen. ‘Ik zie dat jullie ons grote gaven geven terwijl jullie ons zelfs het kleine beetje dat we al bezaten hadden kunnen afnemen. Maar waarom gaven jullie ons die gaven dan als we ze niet mogen gebruiken om groot te worden?’

‘We willen dat jullie groeien, dat jullie naar de sterren kunnen reizen. Hier op Lusitania willen we dat jullie sterk en machtig worden, met honderden en duizenden broeders en vrouwen. We willen jullie leren om allerlei soorten planten te kweken en allerlei soorten dieren te fokken. Ela en Novinha, deze twee vrouwen zullen alle dagen van hun leven werken om meer planten te ontwikkelen die hier op Lusitania kunnen leven en elke bruikbare plant die ze maken zullen ze aan jullie geven. Om jullie te laten groeien. Maar waarom zou er ook maar één enkel zwijntje in een ander bos moeten sterven, alleen maar om jullie deze gaven te laten houden? En waarom zou het jullie schaden als we diezelfde gaven ook aan hén zouden geven?’

‘Als zij net zo sterk worden als wij, wat hebben wij dan gewonnen?’

Wat verwacht ik toch allemaal van deze broeder, dacht Ender. Zijn volk heeft zich altijd gemeten aan de andere stammen. Hun bos is niet vijftig hectares of vijfhonderd — het is groter of kleiner dan het bos van de buurstam in het westen of in het zuiden. Wat ik nu moest doen is het werk van een hele generatie: ik moet hem een heel andere opvatting leren over het kaliber van zijn eigen volk. ‘Is Wroeter groot?’ vroeg Ender.

‘Ik vind van wel,’ zei Mens. ‘Hij is mijn vader. Zijn boom is niet de oudste en de dikste, maar geen enkele vader die wij ons herinneren heeft ooit zo snel nadat hij geplant was zoveel kinderen gehad.’

‘In zekere zin maken dus alle kinderen waarvan hij de vader is deel van hem uit. Hoe meer kinderen hij krijgt, hoe groter hij wordt.’ Mens knikte traag. ‘En hoe meer jij in je leven bereikt, des te groter maak je je vader, is dat waar of niet?’

‘Als zijn kinderen het goed doen, ja, dan is dat een grote eer voor de vaderboom.’

‘Moet jij alle andere grote bomen doden om je vader groot te laten zijn?’

‘Dat is wat anders,’ zei Mens. ‘Alle andere grote bomen zijn vaders van de stam. En deze mindere bomen zijn evengoed broeders.’ Toch kon Ender zien dat Mens onzeker begon te worden. Hij verzette zich tegen Enders ideeën omdat ze vreemd waren, niet omdat ze verkeerd of onbegrijpelijk waren. Hij begon het te begrijpen.

‘Neem nu de vrouwen,’ zei Ender. ‘Ze hebben geen kinderen. Ze kunnen nooit groot zijn op de manier dat jouw vader groot is.’

‘Spreker, je weet dat zij de grootsten van allen zijn. De hele stam gehoorzaamt hen. Als zij ons goed regeren, bloeit de stam; als de stam in aantal toeneemt, worden de vrouwen ook sterk—’

‘Ook al is niemand van jullie hun eigen kind.’

‘Hoe zou dat kunnen?’ vroeg Mens.

‘En toch voegen jullie toe aan hun grootheid. Ook al zijn ze niet jullie moeder of jullie vader, toch groeien ze als jullie groeien.’

‘Maar we zijn allemaal van dezelfde stam…’

Waarom zijn jullie van dezelfde stam? Jullie hebben allemaal verschillende vaders en verschillende moeders.’

‘Omdat we de stam zijn! We wonen hier in het bos, we—’

‘Als er hier een ander zwijntje kwam van een andere stam, en die vroeg of hij bij jullie mocht blijven als jullie broeder—’

‘Dan zouden we hem nooit een vaderboom maken!’

‘Maar jullie probeerden wel van Pipo en Libo een vaderboom te maken!’

Mens haalde moeizaam adem. ‘Ik begrijp het,’ zei hij. ‘Zij maakten deel uit van de stam. Ze kwamen uit de hemel, maar wij maakten hen broeders en we probeerden hen vaders te maken. De stam is wat we geloven dat hij is. Als wij zeggen dat de stam bestaat uit alle Kleintjes in het hele bos en uit alle bomen, dan is dat de stam. Ook al zijn sommige van de oudste bomen hier afkomstig van in de strijd gevallen krijgers van twee andere stammen. We worden één stam omdat we zeggen dat we één stam zijn.’

Ender stond versteld van de geest van deze kleine raman. Hoe weinig mensen waren er in staat om deze gedachte te bevatten of om hem verder te laten reiken dan de smalle grenzen van hun eigen stam, hun gezin, hun land.

Mens ging achter Ender staan, leunde tegen hem aan en liet zijn jonge-zwijntjesgewicht tegen Enders rug drukken. Ender voelde de adem van Mens op zijn wang en toen waren hun wangen tegen elkaar gedrukt en keken ze in dezelfde richting. Ineens begreep Ender het: ‘Jij ziet wat ik zie,’ zei Ender.

‘Jullie mensen groeien door ons tot een deel van jullie te maken, mensen en zwijntjes en kruiperds, ramen onder elkaar. Dan zijn wij één stam en onze grootheid is jullie grootheid en die van jullie is de onze.’ Ender voelde Mens’ hele lijf trillen van de kracht van die gedachte. ‘Jij zegt tegen ons dat we alle andere stammen op dezelfde manier moeten zien. Als één stam, allemaal samen onze stam, zodat wij groeien door hen te laten groeien.’

‘Jullie zouden onderwijzers kunnen sturen,’ zei Ender. ‘Broeders voor de andere stammen, die in de andere bossen naar hun derde leven zouden kunnen overgaan om daar kinderen te krijgen.’

‘Dit is een vreemd en moeilijk iets om van de vrouwen te verlangen,’ zei Mens. ‘Misschien is het wel onmogelijk. Hun geest werkt niet op dezelfde manier als de geest van een broeder. Een broeder kan aan een heleboel verschillende dingen denken. Maar een vrouw denk maar aan één ding: Wat is goed voor de stam, en dat komt weer voort uit: Wat is goed voor de kinderen en de kleine moeders.’

‘Kun je hen dit laten begrijpen?’ vroeg Ender.

‘Beter dan jij het zou kunnen,’ zei Mens. ‘Maar misschien niet. Misschien zal ik te kort schieten.’

‘Je zult vast niet te kort schieten,’ zei Ender.

‘Jij bent hier vannacht gekomen om een verbond te sluiten tussen ons, de zwijntjes van deze stam, en jullie, de mensen die op deze wereld leven. De mensen buiten Lusitania zullen zich van ons verbond niets aantrekken en de zwijntjes buiten dit bos zullen zich er ook niets van aantrekken.’

‘Wij willen hetzelfde verbond met hen allen sluiten.’

‘En met dit verbond beloven jullie mensen ons alles te leren.’

‘Zo vlug als jullie het begrijpen kunnen.’

‘Elke vraag die we stellen.’

‘Wanneer we het antwoord weten.’

‘Als! Wanneer! Dat zijn geen woorden voor een verbond! Geef me nu duidelijke antwoorden, Spreker voor de Doden.’ Mens ging rechtop staan, zette zich af tegen Enders rug en kwam voor hem staan, waar hij zich een beetje bukte om hem van bovenaf te kunnen aankijken. ‘Beloof om ons alles wat jullie weten te zullen leren!’

‘Dat beloven we.’

‘En ook om de zwermkoningin weer tot leven te laten komen zodat ze ons kan helpen.’

‘Ik zal de zwermkoningin weer tot leven laten komen. Jullie moeten je eigen verbond met haar sluiten. Zij gehoorzaamt niet aan menselijke wetten.’

‘Je belooft om de zwermkoningin weer tot leven te laten komen, of ze ons helpt of niet?’

‘Ja.’

‘Jullie beloven om onze wetten te gehoorzamen als jullie in ons bos komen. En jullie stemmen erin toe dat het prairieland dat wij nodig hebben ook onder onze wet valt.’

‘Ja.’

‘En jullie zullen de oorlog verklaren aan alle andere mensen in de hele sterrenhemel om ons te beschermen en ons naar de sterren te laten reizen?’

‘Dat hebben we al gedaan.’

Mens ontspande zich, deed een stap achteruit en hurkte weer op zijn oude plekje. Hij tekende met zijn vinger in de grond. ‘En nu wat jullie van ons verlangen,’ zei Mens. ‘Wij zullen de menselijke wetten gehoorzamen in jullie stad en ook op het prairieland dat jullie nodig hebben.’

‘Ja,’ zei Ender.

‘En jullie willen niet dat wij oorlog voeren,’ zei Mens.

‘Dat klopt.’

‘En dat is alles?’

‘Nog één ding,’ zei Ender.

‘Wat je vraagt is toch al onmogelijk,’ zei Mens. ‘Je kunt net zo goed nog meer vragen.’

‘Het derde leven,’ zei Ender. ‘Wanneer begint dat? Als jullie een zwijntje doden en hij groeit uit tot een boom, is dat het begin?’

‘Het eerste leven is in de moederboom, waar we nooit het licht zien en waar we blindelings het weefsel van het lichaam van onze moeder eten en het sap van de moederboom. Het tweede leven is wanneer we in de schaduw van het bos leven, het halflicht, waarin we hollen en lopen en klimmen en zien en zingen en praten en dingen maken met onze handen. Het derde leven is wanneer we omhoogreiken en de zon indrinken, eindelijk in het volle licht, en nooit meer bewegen behalve op de wind; waarin we alleen nog maar denken, en op die bepaalde dagen wanneer de broeders op je stam roffelen tegen hen spreken. Ja, dat is het derde leven.’

‘Mensen hebben geen derde leven.’

Mens keek hem verbijsterd aan.

‘Als wij sterven, groeit er niets, zelfs niet als jullie ons planten. Er is geen boom. Wij drinken nooit de zon in. Als wij sterven, zijn we dood.’

Mens keek naar Ouanda. ‘Maar dat andere boek dat jullie ons gaven. Dat ging de hele tijd over leven na de dood en over herboren worden.’

‘Niet als boom,’ zei Ender. ‘Niet als iets dat je kunt voelen of aanraken. Of tegen kunt praten. Of antwoord van kunt krijgen.’

‘Ik geloof je niet,’ zei Mens. ‘Als dat waar is, waarom lieten Pipo en Libo zich dan door ons planten?’

Novinha ging naast Ender op haar knieën zitten, tegen hem aan — nee, ze steunde op hem — om het beter te kunnen horen.

‘Hoe hebben ze jullie dan duidelijk gemaakt dat ze geplant wilden worden?’

‘Ze gaven het grote geschenk, verwierven de grote eer. De mens en het zwijntje samen. Pipo en Mandachuva. Libo en Bladeter. Mandachuva en Bladeter dachten allebei dat zij het derde leven konden verwerven, maar Pipo en Libo weigerden allebei. Ze stonden erop om de gift voor zichzelf te houden. Waarom zouden ze dat doen als mensen geen derde leven hebben?’

Toen klonk Novinha’s stem, schor van aandoening. ‘Wat moesten ze doen om Mandachuva of Bladeter het derde leven te schenken?’

‘Ze moesten hen planten, uiteraard,’ zei Mens. ‘Net als vandaag.’

‘Net als wat vandaag?’ vroeg Ender.

‘Jij en ik,’ zei Mens. ‘Mens en Spreker voor de Doden. Als wij dit verbond sluiten zodat de vrouwen en de mensen het met elkaar eens zijn, dan is dit een grote, een edele dag. En dan geef jij of mij het derde leven, of ik geef het aan jou.’

‘Met eigen hand?’

‘Natuurlijk,’ zei Mens. ‘Als je mij de eer niet wilt geven, moet ik die aan jou geven.’

Ender herinnerde zich het beeld dat hij amper twee weken geleden voor het eerst had gezien, van een geslachte en ontweide Pipo met zijn organen rondom zijn lijf gedrapeerd. Geplant. ‘Mens,’ zei Ender, ‘de ergste misdaad die een menselijk wezen kan begaan is een moord plegen. En een van de ergste manieren om dat te doen is een levend persoon zo steken en verwonden dat hij sterft.’

Weer bleef Mens een tijdje gehurkt zitten nadenken. ‘Spreker,’ zei hij uiteindelijk, ‘mijn hoofd blijft dit steeds maar op twee manieren zien. Als mensen geen derde leven hebben, dan is planten hetzelfde als voorgoed doden. In onze ogen hielden Libo en Pipo de eer voor zichzelf en lieten ze Mandachuva en Bladeter achter zoals je hen ziet, om zonder eer voor hun prestaties te sterven. In onze ogen kwamen jullie mensen door de poort naar de helling en scheurden hen uit de grond voor ze wortel hadden kunnen schieten. In onze ogen waren jullie het die een moord begingen toen jullie Pipo en Libo weghaalden. Maar nu zie ik het op een andere manier. Pipo en Libo wilden Mandachuva en Bladeter niet naar het derde leven brengen omdat dat voor hen gelijk stond met moord. En dus lieten ze toe dat wij hen ter dood brachten alleen maar om niet iemand van ons te hoeven doden.’

‘Ja,’ zei Novinha.

‘Maar als dat zo is, waarom kwamen jullie mensen dan niet naar het bos om ons allemaal te doden, toen jullie hen op de helling zagen liggen? Waarom maakten jullie niet een heel groot vuur om al onze vaders te verzengen en de grote moederboom erbij?’

Aan de bosrand slaakte Bladeter een kreet, een afschuwelijk klaaglijke schreeuw van ondraaglijk verdriet.

‘Als jullie een van onze bomen hadden omgehakt,’ zei Mens, ‘als jullie ook maar één enkele boom hadden vermoord, dan hadden wij jullie ’s nachts overvallen en gedood, jullie allemaal. En zelfs als enkelen van jullie het overleefd zouden hebben, dan hadden we het verhaal aan elke andere stam doorgegeven en dan zou niemand van jullie ooit levend dit land verlaten hebben. Waarom hebben jullie óns dan niet gedood voor het vermoorden van Pipo en Libo?’

Ineens dook Mandachuva achter Mens op. Hij hijgde zwaar. Hij liet zich languit op de grond vallen met zijn handen uitgestrekt naar Ender. ‘Ik stak hem met mijn eigen handen,’ riep hij. ‘Ik probeerde hem te eren en ik heb zijn boom voorgoed gedood!’

‘Nee,’ zei Ender. Hij nam Mandachuva bij de handen en hield die in de zijne. ‘Jullie dachten beiden dat je elkaars leven redde. Hij deed jou pijn, en jij — deed hem pijn ja, je doodde hem, maar jullie waren er allebei van overtuigd dat jullie het goede deden. Dat is genoeg, tot nu toe. Nu kennen jullie de waarheid en wij ook. Wij weten dat het niet jullie bedoeling was om te moorden. En jullie weten dat als je een mens met een mes steekt, wij voorgoed doodgaan. Dat is het laatste hofdstuk van het verdrag, Mens. Jullie mogen nooit meer een mens naar het derde leven brengen, want wij weten niet hoe we daar moeten komen.’

‘Als ik dit verhaal aan de vrouwen vertel,’ zei Mens, ‘zal je zo’n vreselijk verdriet horen dat het wel lijkt of er tijdens een verschrikkelijk onweer bomen afknappen.’

Hij draaide zich om, ging voor Schreeuwer staan en sprak een paar minuten tegen haar. Toen kwam hij terug bij Ender. ‘Ga nu naar huis,’ zei hij.

‘Maar we hebben nog geen verdrag,’ zei Ender.

‘Ik moet met alle vrouwen praten. Dat doen ze nooit als jullie nog hier in de schaduw van de moederboom zijn en er niemand overblijft om de kleintjes te beschermen. Pijl zal jullie door het bos terugbrengen. Wacht op me op de helling waar Wroeter over de poort waakt. Probeer maar te slapen. Ik zal het verdrag aan de vrouwen voorleggen en ik zal proberen hen te laten begrijpen dat wij de andere stammen even zachtmoedig moeten behandelen als jullie ons behandeld hebben.’

In een opwelling stak Mens zijn hand uit en drukte die stevig tegen Enders buik. ‘Ik maak mijn eigen verbond,’ zei hij tegen Ender. ‘Ik zal jou eeuwig in ere houden, maar ik zal je nooit doden.’

Ender stak zijn arm uit en legde zijn handpalm tegen de warme buik van Mens. De uitsteeksels onder zijn hand voelden warm aan. ‘Ik zal jou ook eeuwig in ere houden,’ zei Ender.

‘En als we dit verdrag tussen jouw stam en de onze tot stand brengen,’ zei Mens, ‘wil je me dan de eer van het derde leven gunnen? Zal je me laten opschieten om het licht in te drinken?’

‘Kunnen we het heel vlug doen? En niet op die trage, afschuwelijke manier die—’

‘Zodat ik een van de zwijgende bomen word? En nooit vader kan worden? Zonder enige andere eer dan mijn sap aan de smerige macios te voeren en mijn hout aan de broeders te schenken als ze me toezingen?’

‘Is er niet iemand anders die het kan doen?’ vroeg Ender. ‘Een van de broeders die jullie manier van leven en dood kent?’

‘Je begrijpt het niet,’ zei Mens. ‘Op deze manier weet de hele stam dat de waarheid is gesproken. Of jij brengt mij naar het derde leven, of ik breng jou daar, of er is geen verbond. Ik weiger om jou te doden, Spreker, en we willen allebei dat verbond.’

‘Dan doe ik het,’ zei Ender.

Mens knikte, trok zijn hand weg en keerde terug naar Schreeuwer.

‘O Deus,’ fluisterde Ouanda. ‘Hoe zult u de moed kunnen opbrengen?’

Ender had daar geen antwoord op. Hij liep slechts zwijgend achter Pijl aan toen die hen door het bos voorging. Novinha gaf hem haar eigen lichtknuppel om de weg mee te wijzen; Pijl speelde ermee als een kind, hij maakte de lichtvlek klein en groot, liet hem als een zuigvlieg tussen de bomen en struiken door zwiepen. Hij was het vrolijkste, meest speelse zwijntje dat Ender ooit had gezien.

Maar achter hun rug konden ze de stemmen van de vrouwen horen die een verschrikkelijk kakofonisch gezang lieten horen. Mens had hun de waarheid over Pipo en Libo verteld, dat ze een definitieve en pijnlijke dood waren gestorven en dat allemaal om Mandachuva en Bladeter maar niet te hoeven aandoen wat zij voor moord hielden. Pas toen ze zover gevorderd waren dat het geluid van het geweeklaag van de vrouwen zachter was dan hun eigen voetstappen en de wind in de bomen, zei een van de mensen weer wat.

‘Dat was de mis voor de ziel van mijn vader,’ zei Ouanda zacht.

‘En voor die van de mijne,’ antwoordde Novinha; ze wisten allemaal dat ze het over Pipo had en niet over de lang geleden gestorven Venerado Gusto.

Maar Ender nam geen deel aan hun gesprek; hij had Libo en Pipo niet gekend en hoorde niet thuis in hun verdrietige herinneringen. Het enige waaraan hij kon denken was aan de bomen van het bos. Ooit waren dat levende, ademende zwijntjes geweest, stuk voor stuk. De zwijntjes konden tegen hen zingen, tegen hen praten en konden op een of andere manier zelfs hun taal verstaan. Maar Ender kon dat niet. Voor Ender waren de bomen geen mensen, konden ze ook nooit mensen worden. Als hij Mens met een mes ombracht, dan was dat misschien in de ogen van de zwijntjes geen moord, maar voor Ender kwam het erop neer dat hij een eind maakte aan het enige deel van het leven van Mens dat hij begreep. Als zwijntje was Mens een waarachtige raman, een broeder. Voor zover Ender het kon begrijpen, voor zover hij het echt kon geloven, zou hij als boom maar weinig meer zijn dan een grafsteen.

Nu moet ik weer doden, dacht hij, terwijl ik nog wel gezworen had om dat nooit meer te doen.

Hij voelde hoe Novinha haar hand in de kromming van zijn arm schoof. Ze leunde op hem. ‘Help me,’ zei ze. ‘Ik ben bijna blind in het donker.’

‘Ik kan ’s nachts heel goed zien,’ klonk Olhado’s opgewekte stem hulpvaardig van achter haar rug.

‘Hou je kop, stommerd,’ fluisterde Ela fel. ‘Moeder wil naast hem lopen.’

Novinha en Ender konden haar allebei duidelijk horen en ze voelden eikaars geluidloze lach. Novinha ging gaandeweg dichter bij hem lopen. ‘Ik denk dat je de moed wel bezit voor wat je moet doen,’ zei ze zo zacht dat alleen hij het kon horen.

‘Kil en meedogenloos?’ vroeg hij. Zijn stem had een bijklank van wrange humor, maar de woorden smaakten hem als de bittere waarheid.

‘Met voldoende erbarmen om een gloeiende pook tegen een wond te houden als dat de enige manier is om hem te genezen,’ zei ze.

Als degene wier diepste wonden zijn schroeiende brandijzer hadden gevoeld, had ze recht van spreken; en hij geloofde haar en dat maakte de last van het bloedige karwei dat hem wachtte iets lichter.

Ender had niet gedacht dat hij zou kunnen slapen in de wetenschap wat hem te wachten stond. Maar nu ontwaakte hij door Novinha’s zachte stem in zijn oor. Hij besefte dat hij buiten was en in het gras lag met zijn hoofd op Novinha’s schoot. Het was nog donker.

‘Ze komen eraan,’ zei Novinha zacht.

Ender ging zitten. Vroeger, als kind, zou hij meteen klaarwakker geweest zijn; maar toen was hij een geoefend soldaat. Nu duurde het even voor hij zijn oriëntatie terughad. Ouanda en Ela waren allebei wakker en zaten te kijken; Olhado lag te slapen; Quim begon zich net te bewegen. De hoge boom van Wroeters derde leven rees maar een paar meter van hen af recht de lucht in. Wat verderop, achter het hek in het kleine dal, lagen de eerste huizen van Milagre tegen de helling en boven op de top van de hoogste en meest nabije heuvel stonden de kathedraal en het klooster.

In tegenovergestelde richting lag het bos en daar verschenen onder de bomen vandaan Mens, Mandachuva, Bladeter, Pijl, Kommetje, Kalender, Worm, Bastdanser en nog een aantal andere broeders van wie Ouanda niet wist hoe ze heetten.’ Ik heb ze nog nooit gezien,’ zei ze. ‘Ze moeten uit andere broederhuizen afkomstig zijn.’

Hebben we een verdrag? vroeg Ender zich in stilte af. Dat is het enige dat me iets kan schelen. Heeft Mens de vrouwen een nieuwe manier om de wereld te beschouwen kunnen bijbrengen?

Mens droeg iets mee. In bladeren gewikkeld. De zwijntjes legden het pak zwijgend voor Ender neer; Mens pakte het zorgvuldig uit. Het was een stapel bedrukt computerpapier.

De zwermkoningin en de hegemoon,’ zei Ouanda zacht. ‘De kopie die Miro hun gaf.’

‘Het verdrag,’ zei Mens.

Pas toen beseften ze dat de stapel papier ondersteboven lag, met de onbedrukte kant van het papier omhoog. En in het schijnsel van een lichtknuppel zagen ze vage handgeschreven letters. Ze waren groot en onhandig getekend. Ouanda stond versteld. ‘We hebben hun nooit inkt leren maken,’ zei ze. ‘We hebben hun nooit leren schrijven.’

‘Kalender heeft letters leren tekenen,’ zei Mens. ‘Met een stokje in de grond. En Worm maakte de inkt van cabramest en gedroogde macios. Zo moet je overeenkomsten sluiten, nietwaar?’

‘Ja,’ zei Ender.

‘Als we het niet op papier zouden schrijven, zouden we het ons anders herinneren.’

‘Dat is juist,’ zei Ender. ‘Het was heel verstandig om het op te schrijven.’

‘We hebben nog wat veranderd. De vrouwen wilden bepaalde veranderingen en ik dacht dat die voor jullie wel aanvaardbaar zouden zijn.’ Mens wees ze aan. ‘Jullie mensen kunnen dit verdrag wel met andere zwijntjes sluiten, maar jullie kunnen geen ander verdrag sluiten. Jullie mogen andere zwijntjes geen dingen leren die jullie ons niet geleerd hebben. Is dat aanvaardbaar?’

‘Uiteraard,’ zei Ender.

‘Dat was de makkelijkste. Maar nu: Wat gebeurt er als we het niet eens zijn over de regels. Stel dat we het oneens zijn over waar jullie prairieland ophoudt en dat van ons begint? Toen stelde Schreeuwer voor om de zwermkoningin scheidsrechter te laten zijn tussen mensen en Kleintjes. Dan kunnen mensen scheidsrechteren tussen Kleintjes en zwermkoningin. En de Kleintjes tussen zwermkoningin en mensen.’

Ender vroeg zich af hoe makkelijk dat zou zijn. Hij herinnerde zich als geen ander levend mens hoe angstaanjagend de kruiperds drieduizend jaar geleden waren. Hun insektachtige lijven waren de nachtmerries uit de kinderjaren van de mensheid. Hoe makkelijk zouden de mensen van Milagre hun oordeel aanvaarden?

Dat zal dus moeilijk worden. Het is niet moeilijker dan wat wij van de zwijntjes verlangd hebben. ‘Ja,’ zei Ender. ‘Ook dat kunnen we aanvaarden. Het is een goed plan.’

‘En dan is er nog een verandering,’ zei Mens. Hij keek Ender grinnikend aan. Dat was een vreselijk gezicht, aangezien zwijntjesgezichten er niet op gebouwd waren om die menselijke uitdrukking weer te geven. ‘Daarom duurde het zo lang. Vanwege al die veranderingen.’

Ender grinnikte terug.

‘Als een zwijntjesstam het verdrag met de mensen niet wil tekenen en als die stam een van de stammen aanvalt die het verdrag wél ondertekend hebben, dan mogen we oorlog met hen voeren.’

‘Wat bedoelen jullie met aanvallen?’ vroeg Ender. Als ze een eenvoudige belediging al als aanval zouden opvatten, zou deze clausule het verbod op oorlog tot nul terugbrengen.

‘Een aanval,’ zei Mens. ‘Die begint als ze ons land binnentrekken en de broeders of de vrouwen doden. Het is geen aanval als ze zich aandienen voor een oorlog of een afspraak willen maken om oorlog te voeren. Het is wél een aanval als ze beginnen te vechten zonder afspraak. Aangezien wij nooit zullen toestemmen in een oorlog, is een aanval door een andere stam de enige manier waarop een oorlog zou kunnen beginnen. Ik wist dat je dat zou vragen.’

Hij wees de woorden aan in het verdrag en inderdaad omschreef het verdrag nauwkeurig wat er onder een aanval verstaan moest worden.

‘Dat is ook aanvaardbaar,’ zei Ender. Het betekende dat de mogelijkheid van oorlog nog vele generaties lang niet uitgebannen zou zijn. Misschien zou het zelfs nog wel eeuwen duren, want het zou heel wat tijd nemen om dit verdrag uit te dragen naar alle zwijntjes-stammen op de hele wereld. Maar lang voordat de laatste stam het verdrag zou tekenen, bedacht Ender, zouden de gunstige effecten van vredelievende exogamie duidelijk worden en zouden er nog maar weinigen krijger willen worden.

‘En nu de laatste verandering,’ zei Mens. ‘De vrouwen bedoelden dit als straf voor jullie omdat jullie dit verdrag zo moeilijk maakten. Maar ik ben van mening dat jullie het helemaal geen straf zullen vinden. Aangezien het ons verboden is om jullie naar het derde leven te brengen, is het na het in werking treden van dit verdrag voor mensen ook verboden om broeders naar het derde leven te doen overgaan.’

Even meende Ender dat dat gratie voor hem betekende; hij zou niet hoeven doen wat Pipo en Libo beiden geweigerd hadden.

‘Na het in werking treden van het verdrag,’ zei Mens. ‘Jij zal de eerste en de laatste mens zijn die deze gift schenkt.’

‘Ik wilde…’ zei Ender.

‘Ik weet wat jij wenst, mijn vriend Spreker,’ zei Mens. ‘Voor jou voelt het aan als moord. Maar voor mij — als een broeder het recht krijgt om over te gaan naar het derde leven als vader, dan kiest hij zijn grootste rivaal of zijn beste vriend uit om hem de weg te wijzen. Ik kies jou. Spreker — vanaf het moment dat ik Stark leerde en De zwermkoningin en de hegemoon las, heb ik op je gewacht. Ik heb vele malen tegen mijn vader Wroeter gezegd: Van alle mensen is hij de enige die ons zal begrijpen. En toen je sterschip omlaagkwam en Wroeter me vertelde dat jij en de zwermkoningin aan boord van dat schip waren, toen wist ik dat je was gekomen om mij de weg te wijzen, als ik maar goede dingen deed.’

‘Je hebt goede dingen gedaan, Mens,’ zei Ender.

‘Hier,’ zei hij. ‘Zie je? We hebben het verdrag op mensenmanier ondertekend.’

Onder aan de laatste bladzijde van het verdrag stonden twee moeizaam en onhandig getekende woorden. ‘Mens,’ las Ender hardop. Het andere woord kon hij niet lezen.

‘Dat is Schreeuwers eigenlijke naam,’ zei Mens. ‘Sterkijker. Ze was niet zo handig met de schrijf stok — de vrouwen gebruiken niet zo vaak gereedschap omdat de broeders dat soort werk altijd doen. Dus wilde ze dat ik jou zou vertellen hoe ze heet. En ik moest je ook vertellen dat ze zo heet omdat ze altijd naar de hemel keek. Ze zegt dat ze het toen nog niet wist, maar dat ze natuurlijk op jouw komst wachtte.’

Zoveel mensen stelden zoveel hoop in mij, dacht Ender. Maar uiteindelijk hing alles toch van henzelf af. Van Novinha, Miro en Ela, die een oproep lieten uitgaan; van Mens en Sterkijker. En ook van degenen die bang waren voor mijn komst.

Worm droeg het kommetje met inkt; Kalender droeg de pen. Het was een dun strookje hout met een spleet erin en een smal kuiltje dat een beetje inkt vasthield toen hij hem in het kommetje doopte. Hij moest wel vijf keer indopen om zijn naam te kunnen schrijven. ‘Vijf,’ zei Pijl. Ender herinnerde zich toen dat het getal vijf voor de zwijntjes bijzondere betekenis had. Het was toeval geweest, maar als zij het als een goed voorteken wilden beschouwen, dan was dat des te beter.

‘Ik zal het verdrag meenemen naar onze landvoogd en de bisschop,’ zei Ender.

‘Van alle hoog gewaardeerde documenten uit de menselijke geschiedenis…’ zei Ouanda. Niemand hoefde haar zin af te maken. Mens, Bladeter en Mandachuva wikkelden het boekwerk zorgvuldig weer in bladeren en overhandigden het niet aan Ender, maar aan Ouanda. Met afschuwelijke zekerheid wist Ender meteen wat dat betekende. De zwijntjes hadden nog werk voor hem, werk waarbij hij zijn handen vrij zou moeten hebben.

‘Nu het verdrag op de mensenmanier is gesloten,’ zei Mens, ‘moet je het nog voor de Kleintjes sluiten ook.’

‘Kan het tekenen niet toereikend zijn?’ vroeg Ender.

‘Vanaf nu is het tekenen toereikend,’ zei Mens. ‘Maar alleen omdat de hand die voor de mensen tekende ook het verdrag op onze manier bevestigde.’

‘Dan zal ik het doen,’ zei Ender, ‘zoals ik beloofd heb.’

Mens stak zijn hand uit en streelde Ender van zijn keel tot zijn buik over de borst. ‘Het woord van de broeder ligt niet alleen in zijn mond,’ zei hij. ‘Het woord van de broeder ligt in zijn leven.’ Hij keek naar de andere zwijntjes. ‘Ik wil graag nog een laatste keer met mijn vader spreken voor ik naast hem kom te staan.’

Twee van de vreemde broeders kwamen naar voren met hun kleine knuppels in de hand. Ze liepen met Mens naar Wroeters boom en begonnen op de stam te slaan en in vadertaal te zingen. Bijna onmiddellijk spleet de stam open. De boom was nog betrekkelijk jong en de stam was niet erg veel dikker dan het lijf van Mens; het was voor hem een heel geworstel om in de stam te komen. Maar hij paste toch en de stam sloot zich om hem heen. Het geroffel veranderde van ritme, maar werd geen seconde gestaakt.

Jane fluisterde in Enders oor. ‘Ik kan de weerklank van het getrommel binnen in de boom horen veranderen,’ zei ze. ‘De boom vormt langzaam het geluid om en maakt van het geroffel een taal.’

De andere zwijntjes begonnen een stuk grond klaar te maken voor de boom van Mens. Ender zag dat hij zo geplant zou worden dat vanuit de poort gezien Wroeter links zou staan en Mens rechts. Capim uittrekken met wortel en al was voor de zwijntjes zwaar werk; al gauw begon Quim mee te helpen en vervolgens Olhado en toen ook Ouanda en Ela.

Ouanda gaf het verdrag aan Novinha om te bewaren terwijl zij capim hielp wieden. Novinha liep er op haar beurt weer mee naar Ender. Ze ging recht voor hem staan en keek hem strak aan. ‘Je hebt het ondertekend met Ender Wiggin,’ zei ze. ‘Ender.’

Zelfs hem klonk de naam afschuwelijk in de oren. Hij had hem te vaak als een scheldwoord horen gebruiken. ‘Ik ben ouder dan ik eruitzie,’ zei Ender. ‘Dat was de naam waaronder ik bekend was toen ik de thuiswereld van de kruiperds opblies. Misschien zal de aanwezigheid van die naam op de allereerste overeenkomst ooit tussen mensen en ramen gesloten iets kunnen doen om de betekenis van de naam te veranderen.’

‘Ender,’ fluisterde ze. Ze strekte haar armen uit met het gebundelde verdrag erin en hield het tegen zijn borst; het was zwaar omdat het alle bladzijden van De zwermkoningin en de hegemoon bevatte, op de achterkant van de bladen waarop het verdrag was geschreven. ‘Ik ben nooit naar de priesters gegaan om te biechten,’ zei ze, ‘omdat ik wist dat ze me om mijn zonde zouden verachten. Maar toen jij vandaag al mijn zonden opnoemde, kon ik het verdragen omdat ik wist dat je me niet verachtte. Ik kon alleen niet begrijpen waarom, tot nu toe.’

‘Het is niet aan mij om andere mensen om hun zonden te minachten,’ zei Ender. ‘Ik heb er nog geen een gevonden waarvan ik niet in mijn binnenste zei: Ik heb erger gezondigd.’

‘Al die jaren heb jij de last van de schuld van de mensheid meegetorst.’

‘Ja, nou, daar is niets geheimzinnigs aan,’ zei Ender. ‘Ik beschouw het als net zoiets als het Kaïnsteken. Je maakt niet veel vrienden, maar je wordt ook niet echt erg gekwetst.’

Het stuk grond was schoon. Mandachuva sprak in boomtaal tegen de zwijntjes die op de stam trommelden; hun ritme veranderde en de spleet in de boomstam ging weer open. Mens gleed eruit als een zuigeling die geboren wordt. Toen liep hij naar het midden van de gewiede plek. Bladeter en Mandachuva overhandigden hem elk een mes. Toen hij de messen aannam, sprak Mens hen toe — in het Portugees zodat de mensen het zouden kunnen verstaan en het meer zeggingskracht zou hebben. ‘Ik heb Schreeuwer verteld dat jullie door een groot misverstand van de zijde van Pipo en Libo de overgang naar jullie derde leven zijn misgelopen. Zij zei dat jullie allebei omhoog zouden groeien naar het licht nog voor er een nieuwe hand vol handen van dagen was verstreken.’

Bladeter en Mandachuva lieten beiden hun mes los, streken Mens zacht over zijn buik en liepen terug naar de rand van de gewiede plek.

Mens hield Ender de messen voor. Ze waren allebei vervaardigd van dun hout. Ender kon zich geen stuk gereedschap voorstellen waarmee je hout zo dun en scherp kon slijpen terwijl het tegelijk zo sterk bleef. Maar deze messen waren natuurlijk niet met gereedschap geslepen. Ze waren in deze volmaakte vorm rechtstreeks uit het hart van een levende boom afkomstig, geschonken als een gift om een broeder te helpen zijn derde leven te verwerven.

Met zijn verstand weten dat Mens niet echt zou sterven was één ding. Dat werkelijk geloven was iets heel anders. In eerste instantie pakte Ender de messen niet aan. In plaats daarvan reikte hij voorbij de messen en greep Mens bij zijn polsen. ‘Voor jou voelt het niet als de dood. Maar voor mij — ik heb je gisteren pas voor het eerst ontmoet en vanavond weet ik dat je mijn broeder bent, even zeker als wanneer Wroeter ook mijn vader was geweest. En toch zal ik als de zon morgenochtend opgaat, nooit meer met je kunnen praten. Dat voelt voor mij aan als de dood, Mens, ongeacht hoe het voor jou voelt.’

‘Kom in mijn schaduw zitten,’ zei Mens, ‘en kijk naar het zonlicht door mijn bladeren en leun met je rug tegen mijn stam. En doe nog iets anders ook. Voeg een verhaal toe aan De zwermkoningin en de hegemoon. Noem het Het leven van Mens. Vertel alle mensen hoe ik verwekt werd op de bast van mijn vaders boom, hoe ik in het donker werd geboren en me voedde met het lichaam van mijn moeder. Vertel hun hoe ik het leven van duisternis achter me liet en in het halflicht van mijn tweede leven stapte om van de vrouwen praten te leren en vervolgens uit te vliegen en alle wonderen te leren die Libo en Miro en Ouanda ons kwamen leren. Vertel hun hoe op de laatste dag van mijn tweede leven mijn ware broeder van boven de hemel kwam en hoe we samen dit verdrag maakten opdat mensen en zwijntjes één stam zouden worden, geen stam van mensen of een stam van zwijntjes, maar een stam van ramen. En toen wees mijn vriend me de weg naar het derde leven, naar het volle licht, zodat ik kon oprijzen naar de hemel en voor ik stierf nog tienduizenden kinderen het leven kon schenken.’

‘Ik zal je levensverhaal vertellen,’ zei Ender.

‘Dan zal ik waarlijk eeuwig leven.’

Ender nam de messen aan. Mens ging op de grond liggen.

‘Olhado,’ zei Novinha. ‘Quim. Ga terug naar de poort. Ela, jij ook.’

‘Ik wil dit zien, moeder,’ zei Ela. ‘Ik ben een wetenschapper.’

‘Je vergeet mijn ogen,’ zei Olhado. ‘Ik neem alles op. Dan kunnen we de mensen overal laten zien dat het verdrag getekend werd. En we kunnen de zwijntjes laten zien dat de Spreker het verdrag ook op hun manier heeft bevestigd.’

‘Ik ga ook niet,’ zei Quim. ‘Zelfs de Heilige Maagd stond aan de voet van het kruis.’

‘Jullie kunnen blijven,’ zei Novinha zacht. En ook zij bleef.

De mond van Mens werd met capimgras gevuld, maar hij kauwde er niet erg hard op. ‘Meer,’ zei Ender, ‘zodat je helemaal niets voelt.’

‘Dat is niet goed,’ zei Mandachuva. ‘Dit zijn de laatste momenten van zijn tweede leven. Het is goed om iets van de pijn van dit lijf te voelen, om je te herinneren als je in je derde leven bent en de pijn voorbij.’

Mandachuva en Bladeter vertelden Ender waar en hoe hij moest snijden. Het moest vlug gebeuren, vertelden ze hem, en hun handen strekten zich over het dampende lijf om organen aan te wijzen die hier of daar neergelegd moesten worden. Enders handen waren snel en zeker en zijn lijf was kalm, en hoewel hij maar zelden zijn ogen van de operatie kon afwenden, wist hij dat boven zijn bloedige werk, de ogen van Mens op hem gericht waren, ogen gevuld met dankbaarheid en liefde en ook met pijn en dood.

Het gebeurde onder zijn handen, zo vlug dat ze het de eerste paar minuten konden zien groeien. Verschillende grote organen begonnen te verschrompelen terwijl ze wortel schoten; in het lichaam reikten wortelscheuten van plek naar plek; Mens sperde zijn ogen open in een laatste pijnervaring en daar sproot uit zijn ruggegraat een loot omhoog, twee bladeren, vier bladeren—

En toen was het afgelopen. Het lichaam was dood; het had met zijn laatste restje kracht de boom gemaakt die in Mens’ ruggegraat wortelde. Ender had gezien hoe de scheuten en haarworteltjes zich door het lichaam verspreidden. De herinneringen, de ziel van Mens was overgegaan naar de cellen van de nieuw ontsproten boom. Het was gebeurd. Zijn derde leven was begonnen. En als de zon morgenochtend opging, wat niet lang meer zou duren, dan zouden zijn bladeren voor de eerste maal het licht proeven.

De andere zwijntjes vierden feest en dansten. Bladeter en Mandachuva pakten de messen uit Enders handen en staken ze aan weerszijden van Mens’ hoofd diep in de grond. Ender kon niet meefeesten. Hij zat onder het bloed en stonk naar het kadaver dat hij net had geslacht. Op handen en voeten kroop hij bij het lichaam vandaan, de helling op naar een plek waar hij het niet hoefde te zien. Novinha volgde hem. Doodmoe waren ze, uitgeput, allemaal, van het werk en de emoties van de dag. Ze zeiden niets, ze deden niets, maar ze lieten zich op het dikke capimgras vallen, elk op een van de anderen leunend of steunend, en daar vonden ze eindelijk de verlossende slaap, terwijl de zwijntjes over de helling het bos indansten.

Nog voor zonsopgang vertrokken Bosquinha en bisschop Peregrino naar de poort om de Spreker te zien terugkeren uit het bos. Ze waren er al tien minuten toen ze veel dichterbij dan de bosrand iets zagen bewegen. Het was een jongen die slaperig zijn blaas leegde in een struik.

‘Olhado!’ riep de burgemeester.

De jongen draaide zich om, zwaaide en maakte toen vlug zijn broek dicht en begon de anderen wakker te maken die in het hoge gras lagen te slapen. Bosquinha en de bisschop maakten de poort open en liepen hen tegemoet.

‘Gek, hè,’ zei Bosquinha, ‘maar dit is het moment waarop onze opstand mij het wezenlijkst voorkomt. Nu ik voor het eerst buiten het hek loop.’

‘Waarom hebben ze de nacht in de buitenlucht doorgebracht?’ vroeg Peregrino zich hardop af. ‘De poort was los, ze hadden naar huis kunnen gaan.’

Bosquinha liet vlug een schattende blik over de groep buiten de poort glijden. Ouanda en Ela, gearmd als zusters. Olhado en Quim. Novinha. En daar, ja, de Spreker, zittend op de grond, en Novinha stond achter hem met haar handen op zijn schouders. Ze bleven allemaal verwachtingsvol zitten zwijgen. Tot Ender zijn ogen opsloeg en hen aankeek. ‘We hebben het verdrag,’ zei hij. ‘Een heel goed verdrag.’

Novinha stak een in bladeren gewikkelde bundel naar voren. ‘Ze hebben het opgeschreven,’ zei ze. ‘U moet het nog tekenen.’

Bosquinha nam de bundel aan. ‘Voor middernacht hadden we al onze bestanden weer terug,’ zei ze. ‘Niet alleen de bestanden die we naar uw boodschappenbestand hadden gekopieerd. Wie uw vriend ook is, Spreker, hij is heel goed.’

‘Zij,’ zei de Spreker. ‘Ze heet Jane.’

Maar nu konden de bisschop en Bosquinha ook zien wat er op de gewiede plek op de helling lag, recht onder de plaats waar de Spreker had geslapen. Nu begrepen ze de donkere vlekken op de handen en armen van de Spreker, de spatten op zijn gezicht.

‘Ik had liever geen verdrag gehad,’ zei Bosquinha, ‘dan één waarvoor u hebt moeten doden.’

‘Wacht even met uw oordeel,’ zei de bisschop. ‘Ik denk dat het werk van vannacht meer inhield dan we hier voor ons zien.’

‘Heel wijs, vader Peregrino,’ zei de Spreker zacht.

‘Ik wil het u wel uitleggen,’ zei Ouanda. ‘Ela en ik begrijpen het beter dan de anderen.’

‘Het was een soort sacrament,’ zei Olhado.

Bosquinha keek Novinha onbegrijpend aan. ‘Hebt u hen laten toekijken?’

Olhado tikte op zijn ogen. ‘Ooit zullen alle zwijntjes het zien, door mijn ogen.’

‘Het was niet de dood,’ zei Quim. ‘Het was wederopstanding.’

De bisschop liep naar het verminkte lijk toe en raakte voorzichtig het jonge boompje aan dat uit de borstholte groeide. ‘Hij heet Mens,’ zei de Spreker.

‘Net als u,’ zei de bisschop zacht. Hij draaide zich om en keek naar de leden van zijn kleine kudde die de mensheid al een hele stap verder hadden gebracht dan ooit. Ben ik de herder, vroeg Peregrino zich af, of ben ik het meest verwarde en hulpeloze schaap van de kudde? ‘Kom mee, allemaal. Kom mee naar de kathedraal. De klokken gaan dadelijk luiden voor de mis.’

De kinderen groepten bijeen en maakten zich op om te gaan. Ook Novinha stapte achter de rug van de Spreker vandaan. Toen bleef ze staan, draaide zich om en keek hem aan met een zwijgende vraag in haar ogen.

‘Dadelijk,’ zei hij. ‘Nog even.’

En ook zij liep door de poort en over de helling achter de bisschop aan naar de kathedraal.

De mis was nog maar nauwelijks begonnen toen Peregrino de Spreker door de achterdeur de kathedraal zag binnenkomen. Hij bleef even staan en toen vonden zijn ogen Novinha en haar gezin. Met een paar stappen zat hij naast haar. Waar Marcão had gezeten, die zeldzame keren dat het hele gezin samen kwam.

De beslommeringen van de dienst eisten zijn aandacht op; een paar ogenblikken later, toen Peregrino weer kon kijken, zag hij dat Grego nu naast de Spreker zat. Peregrino dacht aan de voorwaarden van het verdrag zoals de meisjes het hem hadden uitgelegd. Aan de betekenis van de dood van het zwijntje Mens, en aan de dood van Pipo en Libo daarvoor. Alle dingen werden duidelijk, alle dingen vielen op hun plaats. De jonge man Miro, die verlamd in bed lag, verzorgd door zijn zuster Ouanda. Novinha, het verloren schaap, weer teruggekeerd in de kudde. Het hek dat zo’n zwarte schaduw had geworpen over de geest van allen die binnen de grenzen ervan leefden, nu dood en onschuldig, onzichtbaar, onstoffelijk.

Het was het wonder van de hostie die in zijn handen in het lichaam van God veranderde. Want onverwacht treffen we in ons innerlijk ineens toch nog het lichaam van God aan, en wij maar denken dat we uitsluitend uit stof bestonden.

Загрузка...