16. Het hek

Een beroemd rabbi staat te onderwijzen op het marktplein. Toevallig komt een man er diezelfde morgen achter dat zijn vrouw overspel heeft gepleegd, en een meute voert haar mee naar het marktplein om haar daar te stenigen. (Er bestaat een bekende versie van dit verhaal, maar een vriend van me, een Spreker voor de Doden, heeft me over twee andere rabbi’s verteld die voor dezelfde situatie kwamen te staan. Die twee gevallen zal ik je vertellen.)

De rabbi stapt naar voren en gaat naast de vrouw staan. Uit ontzag voor hem houdt de meute zich in en blijft met de zware stenen in de handen staan afwachten. ‘Is er iemand onder u,’ zegt hij tegen hen, ‘die niet ooit de vrouw van een andere man of de man van een andere vrouw heeft begeerd?’

Ze mompelen en zeggen: ‘We kennen allemaal de begeerte, maar geen van ons heeft er ooit naar gehandeld, rabbi.’

De rabbi zegt: ‘Dank dan God op je knieën dat Hij jullie zo sterk heeft gemaakt.’ Hij neemt de vrouw bij de hand en voert haar weg van het marktplein. Vlak voor hij haar loslaat, fluistert hij haar toe: ‘Vergeet niet om mijnheer de magistraat te vertellen wie zijn minnares gered heeft. Dan weet hij dat ik zijn trouwe dienaar ben.’

Dus blijft de vrouw leven omdat de gemeenschap te verdorven is om zich tegen ontregelingen te beschermen.

Een andere rabbi, een andere stad. Hij gaat naar haar toe, houdt net als in het andere verhaal de meute tegen en zegt: ‘Wie van jullie zonder zonde is werpe de eerste steen.’

De mensen staan beschaamd en vergeten hun gezamenlijke doel door de herinneringen aan hun eigen individuele zonden. Misschien, denken ze, sta ik hier op een dag wel net als deze vrouw, en dan hoop ik op vergeving en een nieuwe kans. Ik moet haar behandelen zoals ikzelf behandeld wil worden.

Als zij hun handen openen en de stenen op de grond laten vallen, raapt de rabbi een van de gevallen stenen op, heft die de vrouw hoog boven het hoofd en smijt hem dan zo hard hij kan recht omlaag. De steen verbrijzelt haar schedel en doet haar hersenen op de klinkers uiteenspatten.

‘Ook ik ben niet zonder zonden,’ zegt hij tegen de mensen. ‘Maar als we alleen aan volmaakte mensen zouden toestaan de wet te handhaven, dan zou de wet al spoedig dood zijn en deze stad erbij.’

Dus de vrouw stierf omdat haar gemeenschap te star was om haar overtreding te verdragen.

De beroemdste versie van dit verhaal is opmerkelijk omdat we zoiets tijdens ons leven zo verbazingwekkend zelden meemaken. De meeste gemeenschappen schommelen heen en weer tussen verderf en rigor mortis, en als ze te ver doorslaan, sterven ze. Slechts één rabbi durfde van ons zo’n volmaakt evenwicht te verlangen dat we de wet konden handhaven en toch de overtreding vergeven. Hem hebben we dus uiteraard gedood.

San Angelo, Brieven aan een beginnend ketter, vert. Amai a Tudomundo Para Que Deus Vos Ame Cristão, 103:72: 54:2


Minha irmã. Mijn zuster. De woorden bleven maar door Miro’s hoofd klinken tot hij ze niet eens meer hoorde en ze een deel van de achtergrond waren geworden: A Ouanda é minha irmã. Ze is mijn zuster. Zijn voeten droegen hem uit gewoonte van het praça naar de speelvelden en vandaar over de pas tussen de heuvels. De hoogste heuveltop werd bekroond door de kathedraal en het klooster, die altijd boven de zenadorpost uittorenden alsof ze een vesting waren die over de poort waakte. Liep Libo ook hierlangs als hij naar mijn moeder toeging? Ontmoetten ze elkaar in de xenobiologenpost? Of deden ze het stiekemer en lagen ze in het gras te paren als varkens op de fazendas?

Hij stond voor de deur van de zenadorpost en probeerde een reden te bedenken om naar binnen te gaan. Hij had er niets te zoeken. Hij had nog geen verslag geschreven over wat er vandaag was gebeurd, maar hij wist toch niet hoe hij dat moest opschrijven. Magische krachten, dat waren het. De zwijntjes zingen tegen de bomen en de bomen vallen in aanmaakhoutjes uit elkaar. Veel beter dan timmermanswerk. De inheemse bewoners zijn heel wat beschaafder dan we voorheen aannamen. Alles wordt op meer dan één manier aangewend. Elke boom is tegelijk een totem, een grafmonument en een kleine houtzaagmolen. Zuster. Ik moet nog iets doen, maar ik weet niet meer wat.

De zwijntjes hebben een heel verstandig levenspatroon. Leef als broeders met elkaar en laat de vrouwen maar in hun sop gaar koken. Zou voor jou ook veel beter geweest zijn, Libo, en dat is de zuivere waarheid — nee, ik moet je natuurlijk papai noemen, niet Libo. Jammer dat moeder het je nooit heeft verteld, anders had je me op je knie kunnen laten paardje rijden. Je twee oudste kinderen, Ouanda op de ene knie en Miro op de andere, wat zijn we trots op onze twee kinderen. In hetzelfde jaar geboren, maar twee maanden na elkaar, wat moet papai toen een druk baasje geweest zijn, stiekem langs het hek sluipen om mamãe in haar eigen achtertuin te bespringen. Iedereen had medelijden met je omdat je alleen maar dochters had. Niemand om de familienaam voort te laten leven. Hun meeleven was verspilde moeite. Je barstte van de zonen. En ik heb heel wat meer zusters dan ik ooit dacht. Eén meer dan ik wilde.

Hij stond voor de poort en keek naar het bos boven op de heuvel van de zwijntjes. Een nachtelijk bezoek heeft geen enkel wetenschappelijk nut. Dan ga ik me dus nu onwetenschappelijk onnuttig maken door te vragen of ze in de stam misschien nog plaats hebben voor een extra broeder. Ik ben misschien wel te groot voor een slaapplaats in de blokhut, maar dan slaap ik wel buiten. En ik ben ook niet geweldig in boomklimmen, maar ik weet wel het een en ander van techniek en ik heb er inmiddels eigenlijk geen enkel bezwaar meer tegen om jullie alles te vertellen wat jullie willen weten.

Hij legde zijn rechterhand op de identificatiedoos en stak zijn linker al uit om de poort te openen. Een fractie van een seconde begreep hij niet wat er aan de hand was. Toen kreeg hij het gevoel of zijn hand in brand stond, of hij werd afgezaagd met een roestige zaag; hij gaf een gil en rukte zijn hand bij het hek weg. De poort was nog nooit bekrachtigd gebleven als een zenador zijn hand op de doos legde.

‘Marcos Vladimir Ribeira von Hesse, uw bevoegdheid om door de poort te gaan is ingetrokken ingevolge een besluit van de evacuatiecommissie voor Lusitania.’

Sinds de bouw van het hek was nog nooit een zenador door een stem aangeroepen. Het duurde even voor Miro begreep wat de stem zei.

‘U dient zich samen met Ouanda Quenhatta Figueira Mucumbi naar het plaatsvervangend hoofd van politie Faria Lima Maria do Bosque te begeven, die u beiden zal arresteren uit naam van het Gesternteparlement en u op Trondheim zal afleveren om terecht te staan.’

Even duizelde zijn hoofd en hij kreeg een zwaar en misselijk gevoel in zijn maag. Ze weten het. Uitgerekend vanavond. Alles afgelopen. Ouanda kwijt, zwijntjes kwijt, werk kwijt, alles kwijt. Gearresteerd. Trondheim. Waar de Spreker vandaan kwam, een afstand van tweeëntwintig lichtjaar, iedereen dood behalve Ouanda, de enige die overblijft, en zij is mijn zuster

Zijn hand schoot naar voren om nog eens aan het hek te trekken; weer vlijmde de folterende pijn door zijn arm. Alle pijnzenuwen waren aangeslagen en stonden allemaal tegelijk in brand. Ik kan niet zomaar verdwijnen. Ze zullen het hek voor iedereen sluiten. Niemand zal naar de zwijntjes toegaan, niemand zal het hun vertellen, de zwijntjes zullen maar wachten en wachten tot we komen en er zal nooit meer iemand door de poort komen. Ik niet, Ouanda niet, de Spreker niet, helemaal niemand, en zonder enige verklaring.

Evacuatiecommissie. Ze zullen ons evacueren en elk spoor van onze aanwezigheid hier uitwissen. Dat staat in de regels, maar er is meer, niet? Wat hebben ze gezien? Hoe zijn ze erachter gekomen? Heeft de Spreker het hun verteld? Hij is zo verslaafd aan de waarheid. Ik moet de zwijntjes uitleggen waarom we niet meer terugkomen, ik moet het hun vertellen.

Er was altijd een zwijntje dat hen in de gaten hield, dat hen volgde vanaf het moment dat ze het bos betraden. Zou er nu ook een zwijntje op de uitkijk staan? Miro zwaaide met zijn arm. Maar het was te donker. Ze konden hem onmogelijk zien. Of misschien ook wel; niemand wist hoe goed het nachtzicht van de zwijntjes was. Of ze hem zagen of niet, ze kwamen niet. En het zou al gauw te laat zijn; de framlings hielden de poort in de gaten, ze hadden ongetwijfeld Bosquinha al gewaarschuwd en die zou vast al onderweg zijn, zoevend over het gras. Ze zou hem met o zo grote weerzin arresteren, maar ze zou haar plicht doen en het had geen zin om met haar in discussie te gaan over of het eigenlijk wel goed was voor mensen en zwijntjes om deze dwaze scheiding te handhaven, het was niets voor haar om aan de wet te twijfelen, ze deed gewoon wat haar werd opgedragen. En hij zou zich overgeven, hij had geen enkele reden om zich te verzetten, waar zou hij zich binnen het hek kunnen verbergen, tussen de cabras soms? Maar voor hij de strijd opgaf, zou hij het aan de zwijntjes vertellen, moest hij het hun vertellen.

En dus liep hij vanaf de poort langs het hek, in de richting van het open veld onder aan de voet van de heuvel waarop de kathedraal stond, waar de huizen zo ver weg stonden dat niemand zijn stem zou kunnen horen. Onder het lopen riep hij. Geen woorden, maar een hoog toetend geluid, een kreet waarmee Ouanda en hij elkaars aandacht trokken als ze zich gescheiden onder de zwijntjes bevonden. Ze zouden het horen, ze moesten het horen, ze moesten naar hem toekomen omdat hij onmogelijk over het hek kon klimmen. Kom dus alsjeblieft, Mens, Bladeter, Mandachuva, Pijl, Kommetje, Kalender, wie dan ook, kom allemaal en ik zal jullie vertellen dat ik jullie niets meer kan vertellen.

Quim zat als een hoopje ellende op een kruk in het kantoor van de bisschop.

‘Estevão,’ zei de bisschop zacht, ‘er is hier over een paar minuten een vergadering, maar ik wil eerst even met jou praten.’ ‘Er valt nergens over te praten,’ zei Quim. ‘U hebt ons gewaarschuwd en het is gebeurd. Hij is de duivel.’

‘Estevão, we gaan even praten en dan ga jij naar huis en naar bed.’

‘Ik ga daar nooit meer naar toe.’

‘De meester at met erger zondaars dan jouw moeder en hij vergaf hen. Ben jij beter dan hij?’

‘Geen van de echtbreeksters die hij vergaf was zijn moeder!’

‘Niet ieders moeder kan de Heilige Maagd zijn.’

‘Staat u nu soms aan zijn kant? Heeft de kerk hier ruimte gemaakt voor Sprekers voor de Doden? Moeten we nu de kathedraal afbreken en de stenen gebruiken om er een amfitheater van te bouwen waar al onze doden belasterd kunnen worden voor we ze onder de grond stoppen?’

Fluisterend: ‘Estevão, ik ben je bisschop, de plaatsvervanger van Christus op deze planeet, en als je tegen mij spreekt, doe je dat met de eerbied die je mijn ambt verschuldigd bent.’

Quim bleef woedend en zwijgend zitten.

‘Ik ben van mening dat het beter geweest zou zijn als de Spreker deze verhalen niet in het openbaar had verteld. Sommige dingen kun je beter in beslotenheid vernemen, in alle rust, zodat we geen schokken te verwerken krijgen terwijl een heel publiek toekijkt. Daarom gebruiken wij de biecht, om ons voor openbare schande te behoeden terwijl we met onze eigen zonden worstelen. Maar wees nu eens eerlijk, Estevão. De Spreker heeft de verhalen dan misschien wel verteld, maar ze waren allemaal waar. Of niet?’

‘É.’

‘Laten we dan nu eens goed nadenken, Estevão. Hield jij voor vandaag van je moeder?’

‘Ja.’

‘En deze moeder van wie jij hield, had die al overspel gepleegd?’

‘Wel tienduizend keer.’

‘Ik vermoed dat je nu haar wellust overdrijft. Maar jij vertelt me dus dat je van haar hield ook al was ze een echtbreekster. Ze is vanavond toch niet ineens iemand anders? Is ze tussen gisteren en vandaag veranderd? Of ben jij de enige die veranderd is?’

‘Wat ze gisteren was is een leugen.’

‘Bedoel je dat omdat ze zich schaamde om haar kinderen te vertellen dat ze een echtbreekster was, ze ook moet hebben gelogen toen ze al die jaren dat je opgroeide voor je zorgde, toen ze je vertrouwde, toen ze je leerde om—’

‘Ze was nu niet bepaald een hartelijke moeder.’

‘Als ze naar de biecht was gekomen en vergeving had gekregen voor haar overspel, had ze het jullie helemaal nooit hoeven vertellen.

Dan zou je in je graf terecht zijn gekomen zonder dat je het wist. Het zou geen leugen zijn geweest; omdat ze vergeving had gekregen, zou ze geen echtbreekster zijn geweest. Geef de waarheid toch toe, Estevão; je bent niet kwaad om haar overspel. Je bent kwaad omdat je jezelf voor de hele stad voor gek hebt gezet met je poging haar te verdedigen.’

‘U doet net of ik een idioot ben.’

‘Niemand denkt dat jij een idioot bent. Iedereen denkt dat je een loyale zoon bent. Maar als je je een ware volgeling van de meester wilt betonen, dan vergeef je haar en laat haar zien dat je meer van haar houdt dan ooit, omdat je nu haar lijden begrijpt.’ De bisschop keek naar de deur. ‘Ik heb hier nu een vergadering, Estevão. Ga naar mijn achterkamer en bid tot de Madelena om vergiffenis voor je onvergevende hart.’

Meer zielig dan kwaad verdween Quim door het gordijn achter het bureau van de bisschop.

De secretaris van de bisschop deed de andere deur open en liet de Spreker voor de Doden binnen in het vertrek. De bisschop kwam niet overeind. Tot zijn verbazing liet de Spreker zich op zijn knieën zakken en boog hij zijn hoofd. Het was iets dat katholieken deden als ze in het openbaar aan de bisschop werden voorgesteld en Peregrino kon niet bedenken wat de Spreker hiermee bedoelde. Maar ja, de man zat daar nu eenmaal op zijn knieën te wachten en dus kwam de bisschop overeind uit zijn stoel, liep naar hem toe en hield hem zijn ring voor om die te laten kussen. Zelfs toen bleef de Spreker nog zitten wachten tot Peregrino eindelijk zei: ‘Ik zegen je mijn zoon, ook al weet ik niet of je me soms voor de gek houdt met dit eerbetoon.’

Nog steeds met gebogen hoofd zei de Spreker: ‘Zelfs de gedachte daaraan is mij vreemd.’ Toen keek hij Peregrino aan. ‘Mijn vader was katholiek. Hij deed voor het gemak net of het niet zo was, maar hij vergaf zich zijn trouweloosheid nooit.’

‘Bent u gedoopt?’

‘Mijn zuster vertelde me dat mijn vader me inderdaad kort na mijn geboorte heeft gedoopt. Mijn moeder was van een protestantse stroming die de kinderdoop een gruwel vindt en ze kregen er dus een flinke ruzie om.’ De bisschop stak zijn hand uit om de Spreker overeind te helpen. De Spreker grinnikte. ‘Stel je voor. Een heimelijke katholiek en een in ongenade gevallen mormoon die ruzie maken over religieuze rituelen waarin ze beiden beweren niet te geloven.’

Peregrino bleef skeptisch. Het was een te elegant gebaar dat de Spreker nu ineens katholiek bleek. ‘Ik dacht altijd,’ zei de bisschop, ‘dat jullie Sprekers voor de Doden alle godsdiensten afzwoeren voor jullie je, laten we zeggen, roeping gaan uitoefenen.’

‘Ik weet niet wat de anderen doen. Ik denk niet dat er regels voor zijn — die waren er in ieder geval niet toen ík Spreker werd.’

Bisschop Peregrino wist dat Sprekers werden geacht niet te liegen, maar deze leek toch wel erg om de dingen heen te draaien. ‘Spreker Andrew, er is geen plek in de Honderd Werelden waar een katholiek zijn geloof hoeft te verbergen en dat is al drieduizend jaar zo. Dat was de grote zegening van de ruimtevaart, dat die de verschrikkelijke beperkende maatregelen tegen overbevolking van de Aarde overbodig maakte. Staat u me nu te vertellen dat uw vader drieduizend jaar geleden op Aarde leefde?’

‘Ik sta u te vertellen dat mijn vader ervoor zorgde dat ik katholiek gedoopt werd en omwille van hem deed ik wat hijzelf tijdens zijn leven nooit kon doen. Het was voor hem dat ik voor een bisschop neerknielde en diens zegening ontving.’

‘Maar mijn zegen was voor u bestemd. En u ontwijkt nog steeds mijn vraag. Wat inhoudt dat mijn conclusie over de tijd waarin uw vader leefde juist is, maar dat u er niet over wilt praten. Dom Cristão zei al dat er meer aan u vast zat dan zo op het eerste gezicht te zien was.’

‘Mooi,’ zei de Spreker. ‘Ik heb die zegen harder nodig dan mijn vader, want hij is dood en ik heb nog een heleboel problemen waar ik mee worstel.’

‘Ga alstublieft zitten.’ De Spreker koos een kruk tegen de verste wand. De bisschop ging in een grote, zware stoel achter zijn bureau zitten. ‘Ik wilde dat u niet net vandaag die Bespreking had gehouden. Hij kwam ontzettend ongelegen.’

‘Ik was er niet van op de hoogte dat het Parlement dit zou doen.’

‘Maar u wist dat Miro en Ouanda de wet gebroken hadden. Dat heeft Bosquinha me verteld.’

‘Ik kwam daar een paar uur voor de Bespreking achter. Nog hartelijk dank dat u hen nog niet hebt gearresteerd.’

‘Dat is een kwestie van het burgerlijk bestuur.’ De bisschop wuifde het opzij, maar ze wisten allebei dat als hij had aangedrongen, Bosquinha haar orders had moeten uitvoeren en hen had moeten arresteren in weerwil van het verzoek van de Spreker. ‘Uw Bespreking heeft nogal wat narigheid veroorzaakt.’

‘Meer dan gewoonlijk, helaas.’

‘En nu — is daarmee uw verantwoordelijkheid afgelopen? Slaat u de wonden en laat u het aan anderen over om ze te helen?’

‘Ik sla geen wonden, bisschop Peregrino. Ik opereer. En als ik naderhand de pijn kan helpen verlichten, ja, dan blijf ik om te helpen. Ik heb weliswaar geen pijnstillers, maar ik doe altijd mijn best met mijn ontsmettingsmiddelen.’

‘U had priester moeten worden, weet u dat.’

‘Jongste zonen hadden vroeger maar twee keuzemogelijkheden. Priester worden of het leger in. Mijn ouders kozen voor mij het laatste.’

‘Een jongste zoon. Maar u had ook een zuster. En u leefde in een tijd dat bevolkingsbeheer ouders verbood om meer dan twee kinderen hebben tenzij de regering daar speciaal toestemming voor gaf. Ze noemden zo’n kind een drietje, is ’t niet?’

‘U kent uw geschiedenis.’

‘Bent u op Aarde geboren in de tijd dat reizen naar de sterren nog niet mogelijk was?’

‘Wat ons nu zorgen baart, bisschop Peregrino, is de toekomst van Lusitania en niet de levensloop van een Spreker voor de Doden die duidelijk niet meer dan vijfendertig jaar oud is.’

‘De toekomst van Lusitania is mijn zorg, Spreker Andrew, en niet de uwe.’

‘De toekomst van de mensen op Lusitania is uw zorg, maar ik bekommer me ook om de zwijntjes.’

‘Laten we er niet om strijden wiens zorg groter is.’

De secretaris deed de deur open en Bosquinha, Dom Cristão en Dona Cristã stapten binnen. Bosquinha keek van de bisschop naar de Spreker en weer terug.

‘Er ligt geen bloed op de vloer als u daar soms naar zoekt,’ zei de bisschop.

‘Ik peilde alleen even de temperatuur,’ zei Bosquinha.

‘De warmte van wederzijds ontzag, zou ik denken,’ zei de Spreker. ‘Niet de hitte van boosheid of het ijs van haat.’

‘De Spreker is katholiek gedoopt, maar is geen actief gelovige,’ zei de bisschop. ‘Ik heb hem mijn zegen gegeven en dat heeft hem kennelijk erg mak gemaakt.’

‘Ik ben altijd erg gezagsgetrouw geweest,’ zei de Spreker.

‘U was toch echt degene die ons met een opsporingsambtenaar dreigde,’ bracht de bisschop hem in herinnering. Met een glimlach.

De glimlach van de Spreker was niet minder kil. ‘En u was degene die de mensen vertelde dat ik de duivel was en dat ze niet tegen me moesten praten.’

Terwijl de bisschop en de Spreker tegen elkaar zaten te grijnzen, lachten de anderen zenuwachtig en gingen afwachtend zitten.

‘Het is uw bijeenkomst, Spreker,’ zei Bosquinha.

‘Vergeef me,’ zei de Spreker. ‘Ik heb nog iemand anders uitgenodigd. Het maakt de zaak heel wat eenvoudiger als we nog een paar minuten wachten tot zij er is.’

Ela trof haar moeder buiten aan, niet ver van het hek. Een zacht briesje dat het capimgras nauwelijks in beweging bracht had haar haar gevangen en blies het om haar hoofd. Het duurde even voor Ela doorkreeg waarom haar dit zo verbaasde. Haar moeder had al jaren haar haar niet los gedragen. Het zag er vreemd vrij uit, des te meer omdat Ela duidelijk kon zien hoe het krulde en golfde op de plaats waar het zo lang in een strenge knot gedraaid had gezeten. Pas toen besefte ze dat de Spreker gelijk had. Moeder zou naar zijn uitnodiging luisteren. Hoeveel schaamte of pijn de Bespreking van vanavond haar ook bezorgd had, hij had ertoe geleid dat ze nu, net na zonsondergang, buiten naar de heuvel van de zwijntjes stond te kijken. Of misschien stond ze naar het hek te kijken. Misschien dacht ze aan een man die haar daar ontmoette, of ergens anders in het capimgras, zodat ze elkaar ongezien konden beminnen. Altijd stiekem, altijd geheim. Moeder is blij, dacht Ela, dat nu bekend is dat Libo haar eigenlijke man was, dat Libo mijn echte vader is. Moeder is blij en ik ook.

Moeder draaide zich niet om om te kijken wie eraan kwam, hoewel ze Ela vast en zeker door het luidruchtige gras had horen aankomen. Ela bleef op een paar passen afstand staan.

‘Moeder,’ zei ze toen.

‘Dus toch geen kudde cabras,’ zei moeder. ‘Wat maak je een lawaai, Ela.’

‘De Spreker. Heeft je hulp nodig.’

‘O ja?’

Ela legde uit wat de Spreker haar had verteld. Moeder keek niet om. Toen Ela uitgesproken was, wachtte moeder een ogenblik en vervolgens draaide ze zich om en begon de heuvel op te lopen. Ela rende achter haat aan tot ze haar had ingehaald. ‘Moeder, ga je hem over de Descolada vertellen?’

‘Ja.’

‘Waarom nu? Na al die jaren? Waarom wilde je het niet aan mij vertellen?’

‘Omdat je zelfstandig veel beter werk deed, zonder mijn hulp.’

‘Je weet dus waar ik mee bezig was?’

‘Je bent mijn leerling. Je bestanden zijn volledig toegankelijk voor me en het wordt niet geregistreerd als ik ze ingekeken heb. Ik zou toch een slechte meester zijn als ik je werk niet in de gaten hield.’

‘Maar—’

‘Ik heb ook de bestanden gelezen die je onder Quara’s naam verstopt had. Jij bent nooit moeder geweest, anders zou je weten dat alle bestandsbezigheden van een kind onder de twaalf elke week aan de ouders worden doorgegeven. Quara had een aantal opmerkelijke onderzoeken lopen. Ik ben blij dat je met me meegaat. Als ik het aan de Spreker vertel, vertel ik het tegelijk aan jou.’

‘Je gaat de verkeerde kant op,’ zei Ela.

Moeder bleef staan. ‘De Spreker woont toch vlak bij het praça?’

‘De bijeenkomst is in het kantoor van de bisschop.’

Voor het eerst keek moeder Ela recht aan. ‘Wat doen jij en die Spreker me toch allemaal aan?’

‘We proberen Miro te redden,’ zei Ela. ‘En de Lusitaniakolonie hopelijk ook.’

‘Me naar het hol van die spin slepen—’

‘De bisschop moet aan onze kant staan, anders—’

‘Onze kant! Dus als jij wij zegt, bedoel je de Spreker en jij, nietwaar? Denk je soms dat ik dat niet gemerkt heb? Al mijn kinderen, een voor een, hij heeft jullie allemaal verleid—’

‘Hij heeft helemaal niemand verleid!’

‘Hij heeft jullie verleid met zijn manier van precies weten wat jullie willen horen, van—’

‘Hij is geen vleier,’ zei Ela. ‘Hij vertelt ons niet wat we willen horen. Hij vertelt ons dingen waarvan we weten dat ze waar zijn. Hij heeft niet onze genegenheid gewonnen, moeder, maar ons vertrouwen.’

‘Wat hij ook van jullie krijgt, jullie hebben dat mij nooit gegeven.’

‘We wilden maar al te graag.’

Dit keer sloeg Ela haar ogen niet neer voor de priemende, vorsende blik van haar moeder. In plaats daarvan was het haar moeder die de ogen neersloeg, die de andere kant opkeek en vervolgens Ela weer aankeek met tranen in haar ogen. ‘Ik wilde het jullie wel vertellen.’ Moeder had het nu niet over haar bestanden. ‘Toen ik zag dat jullie zo’n hekel aan hem hadden, wilde ik zeggen: Hij is jullie vader niet, jullie vader is een goede, lieve man—’

‘Die de moed niet had ons dat zelf te vertellen.’

Een woedende blik verscheen in moeders ogen. ‘Dat wilde hij wel. Hij mocht het niet van mij.’

‘Ik zal je eens iets vertellen, moeder. Ik hield van Libo zoals iedereen in Milagre van hem hield. Maar hij was bereid om te huichelen en jij ook, en zonder dat iemand er ook maar iets van besefte, deed het gif van jullie leugens ons toch allemaal kwaad. Ik verwijt je niets, moeder, en hem ook niet. Maar ik dank God voor de Spreker. Hij was bereid om ons de waarheid te vertellen en die bevrijdde ons.’

‘De waarheid vertellen is makkelijk,’ zei moeder zacht, ‘als je van niemand houdt.’

‘Denk je dat echt?’ vroeg Ela. ‘Ik denk dat ik iets heb geleerd, moeder. Volgens mij is het onmogelijk om de waarheid over iemand te weten als je niet van hem houdt. Volgens mij hield de Spreken van vader, van Marcão, bedoel ik. Volgens mij begreep hij hem en hield hij van hem voor hij hem Besprak.’

Moeder gaf geen antwoord, omdat ze wist dat het waar was.

‘En ik weet dat hij van Grego houdt en van Quara en van Olhado. En van Miro en zelfs van Quim. En van mij. Ik weet zeker dat hij van mij houdt. En als hij me laat merken dat hij van me houdt, weet ik dat het waar is, omdat hij nooit tegen iemand liegt.’

Tranen drupten uit moeders ogen en stroomden over haar wangen.

‘Ik heb wél gelogen, tegen jou en tegen iedereen,’ zei moeder. Haar stem klonk zwak en gespannen. ‘Maar je moet me toch geloven. Als ik zeg dat ik van jullie hou.’

Ela omhelsde haar moeder en voor het eerst in jaren voelde ze warmte in de reactie van haar moeder. Omdat nu de leugens die tussen hen in stonden uit de weg geruimd waren. De Spreker had de barrière geslecht en er was geen enkele reden meer om aarzelend en voorzichtig te doen.

‘Je denkt zelfs nu nog aan die verdomde Spreker, hè?’ fluisterde haar moeder.

‘Jij toch ook,’ antwoordde Ela.

Allebei hun lijven schudden van moeders lachen. ‘Ja.’ Toen hield ze op met lachen, deed een stap achteruit en keek Ela in haar ogen. ‘Zal hij altijd tussen ons komen?’

‘Ja,’ zei Ela. ‘Als een brug zal hij tussen ons komen, niet als een muur.’

Miro zag de zwijntjes toen ze halverwege de helling onderweg naar het hek waren. Zo stil als ze zich in het bos konden bewegen, zo onhandig waren ze als ze door het capimgras liepen — het ritselde luid als ze erdoor liepen. Of misschien vonden ze het wel niet nodig om zich te verbergen nu ze in antwoord op Miro’s oproep kwamen. Toen ze dichterbij kwamen, herkende Miro hen. Pijl, Mens, Mandachuva, Bladeter, Kommetje. Hij riep hen niet aan en zij zeiden ook geen woord toen ze tegenover hem stonden. In plaats daarvan stelden ze zich aan de andere kant van het hek tegenover hem op en keken hem zwijgend aan. Geen enkele zenador had ooit zwijntjes naar het hek geroepen. Met hun zwijgzaamheid toonden ze hun hevige bezorgdheid.

‘Ik kan niet meer bij jullie komen,’ zei Miro.

Ze wachtten op zijn uitleg.

‘De framlings hebben gemerkt wat we gedaan hebben. Dat we de wet gebroken hebben. Ze hebben de poort verzegeld.’

Bladeter streek langs zijn kin. ‘Weet je toevallig ook wat de framlings gezien hebben?’

Miro lachte verbitterd. ‘Wat hebben ze niet gezien? Er is ooit maar één framling met ons meegeweest.’

‘Nee,’ zei Mens. ‘De zwermkoningin zegt dat het de Spreker niet was. De zwermkoningin zegt dat ze het uit de lucht gezien hebben.’

De satellieten? ‘Wat konden ze dan zien vanuit de lucht?’

‘Misschien de jacht,’ zei Pijl.

‘Misschien het scheren van de cabras,’ zei Bladeter.

‘Misschien de amarantakkers,’ zei Kommetje.

‘Al die dingen,’ zei Mens. ‘En misschien zagen ze ook wel dat de vrouwen driehonderdtwintig kinderen op de wereld hebben laten komen na de eerste amarantoogst.’

‘Driehonderd!’

‘En twintig,’ zei Mandachuva.

‘Ze zagen dat er meer dan genoeg voedsel zou zijn,’ zei Pijl. ‘Nu weten we zeker dat we de volgende oorlog zullen winnen. Onze vijanden zullen in reusachtige nieuwe wouden over de hele vlakte geplant worden en de vrouwen zullen in elk nieuw bos moederbomen planten.’

Miro voelde zich beroerd. Daarvoor hadden ze zich niet al die opofferingen en al dat werk getroost, om één zwijntjesstam een tijdelijke voorsprong te geven. Bijna zei hij: Libo is niet gestorven om jullie de kans te geven om de wereld te veroveren! Maar zijn beroepservaring hield de overhand en hij stelde een neutrale vraag. ‘Waar zijn al deze nieuwe kinderen?’

‘Wij krijgen helemaal geen kleine broeders toegewezen,’ legde Mens uit. ‘Wij hebben het te druk met van jullie te leren en dat dan aan alle andere broederhuizen door te geven. Wij kunnen niet ook nog kleine broeders oefenen.’ Trots voegde hij er vervolgens aan toe: ‘Van die driehonderd is ruim de helft een kind van mijn vader Wroeter.’

Mandachuva knikte plechtig. ‘De vrouwen hebben groot ontzag voor wat jullie ons geleerd hebben. En ze stellen veel hoop in de Spreker voor de Doden. Maar wat je ons nu vertelt, is erg kwalijk. Als de framlings ons haten, wat moeten we dan doen?’

‘Ik weet het niet,’ zei Miro. Voorlopig werkte zijn verstand op topsnelheid om te proberen alle informatie die ze hem zojuist verteld hadden te verwerken. Driehonderdtwintig nieuwe babies. Een bevolkingsexplosie. En Wroeter was op een of andere manier de vader van de helft van hen. Voor vandaag zou Miro die verklaring over het vaderschap van Wroeter afgedaan hebben als een onderdeel van het totemgeloof van de zwijntjes. Maar nu hij had gezien hoe een boom zichzelf ontwortelde en vervolgens in stukken uiteen viel als antwoord op zwijntjesgezang, was hij bereid om al zijn oude aannames op de helling te zetten.

Maar wat had hij eraan om nu nog nieuwe dingen te leren? Ze zouden hem toch nooit meer verslag laten uitbrengen; hij kon zijn bevindingen niet natrekken; de komende kwart eeuw zou hij in een sterschip zitten terwijl iemand anders zijn werk deed. Of nog erger, niemand anders.

‘Je hoeft niet verdrietig te zijn,’ zei Mens. ‘Je zult zien — de Spreker voor de Doden zal ervoor zorgen dat het allemaal in orde komt.’

‘De Spreker. Ja, hij zal zorgen dat alles in orde komt.’ Net als hij voor mij en Ouanda deed. Mijn zuster.

‘De zwermkoningin zegt dat hij de framlings zal leren om van ons te houden—’

‘De framlings leren,’ zei Miro. ‘Nou, daar zal hij dan flink vaart achter moeten zetten. Het is voor hem al te laat om Ouanda en mij nog te redden. Ze gaan ons arresteren en we worden naar een andere planeet gebracht.’

‘Naar de sterren?’ vroeg Mens hoopvol.

‘Ja, naar de sterren om terecht te staan! Om gestraft te worden voor de hulp die we jullie hebben gegeven. Het duurt tweeëntwintig jaar voor we er zijn en ze laten ons nooit meer terugkomen.’

Het duurde even voor de zwijntjes dit bericht verwerkt hadden. Mooi, dacht Miro. Laat ze zich nu het hoofd maar breken hoe de Spreker dit voor hen gaat oplossen. Ik vertrouwde ook op de Spreker en ik had er niks aan. De zwijntjes staken de koppen bij elkaar voor onderling overleg.

Mens stapte uit de groep en kwam dichter bij het hek staan. ‘Wij zullen jullie verbergen.’

‘In het bos zullen ze jullie nooit vinden,’ zei Mandachuva.

‘Ze hebben machines die me aan mijn geur kunnen opsporen,’ zei Miro.

‘Aha, maar de wet verbiedt hun toch om hun machines aan ons te laten zien?’ vroeg Mens.

Miro schudde zijn hoofd. ‘Het maakt ook niet uit. De poort blijft dicht voor me. Ik kan het hek niet over.’

De zwijntjes keken elkaar aan.

‘Maar de capim groeit recht onder je voeten,’ zei Pijl.

Miro keek dommig naar het gras. ‘Nou en?’ vroeg hij.

‘Kauw erop,’ zei Mens.

‘Waarom?’ vroeg Miro.

‘We hebben mensen op capim zien kauwen,’ zei Bladeter. ‘Gisteravond nog op de heuvel zagen we de Spreker en een paar van de pij-mensen capim kauwen.’

‘En nog vele keren daarvoor,’ zei Mandachuva.

Hun ongeduld jegens hem was ontzettend frustrerend. ‘Wat heeft dat met het hek te maken?’

Weer keken de zwijntjes elkaar aan. Tenslotte brak Mandachuva vlak bij de grond een stengel af, vouwde die zorgvuldig tot een dikke prop, stak hem in zijn mond en begon erop te kauwen. Na een tijdje ging hij zitten. De anderen begonnen hem te pesten; ze prikten hem met hun vingers en ze knepen hem. Kennelijk merkte hij er niets van. Tenslotte geniepte Mens hem bijzonder gemeen en toen Mandachuva niet reageerde, begonnen ze in mannentaal te roepen: Klaar, tijd om te gaan, nu, klaar.

Mandachuva ging staan en wankelde even. Toen rende hij naar het hek, klauterde ertegen omhoog, duikelde over de kop en landde op handen en voeten aan dezelfde kant als Miro.

Miro sprong overeind en begon te schreeuwen op het moment dat Mandachuva de bovenrand van het hek al bereikt had; tegen de tijd dat hij zijn kreet afrondde, stond Mandachuva naast hem en klopte het stof van zich af.

‘Dat kan je helemaal niet doen,’ zei Miro. ‘Het prikkelt alle pijnzenuwen in het lichaam. Je kunt niet over het hek klimmen.’

‘O,’ zei Mandachuva.

Aan de andere kant van het hek stond Mens zijn dijen tegen elkaar te wrijven. ‘Hij wist het niet,’ zei hij. ‘De mensen wisten het niet.’

‘Het is een pijnstiller,’ zei Miro. ‘Het zorgt ervoor dat je geen pijn voelt.’

‘Nee,’ zei Mandachuva. ‘Ik voel de pijn heel goed. Verschrikkelijke pijn. De ergste pijn in de hele wereld.’

‘Wroeter zegt dat het hek erger is dan doodgaan,’ zegt Mens. ‘Pijn overal.’

‘Maar het kan jullie niet schelen,’ zei Miro.

‘Het overkomt je andere zelf,’ zei Mandachuva. ‘Het overkomt je dierlijke zelf. Maar je boomzelf trekt zich er niets van aan. Het zorgt ervoor dat je je boomzelf wordt.’

Toen herinnerde Miro zich iets dat in de verschrikking van Libo’s dood in de vergetelheid was geraakt. In de mond van de dode man hadden ze een prop capim aangetroffen. Net als in de mond van elk zwijntje dat gestorven was. Verdoving. De dood zag eruit als een afschuwelijke marteling, maar pijn was geenszins het doel ervan. Ze gebruikten een pijnstiller. Het had niets met pijn te maken.

‘Nou,’ zei Mandachuva. ‘Begin op het gras te kauwen en ga met ons mee. Wij zullen je verbergen.’

‘Ouanda,’ zei Miro.

‘O, ik zal haar wel halen,’ zei Mandachuva.

‘Je weet niet waar ze woont.’

‘Wel hoor,’ zei Mandachuva.

‘Wij doen dit een heleboel keer per jaar,’ zei Mens. ‘Wij weten waar iedereen woont.’

‘Maar niemand heeft jullie ooit gezien,’ zei Miro.

‘We doen het heel heimelijk,’ zei Mandachuva. ‘Bovendien zoekt er niemand naar ons.’

Miro stelde zich voor hoe een tiental zwijntjes na middernacht door Milagre rondsloop. Er was geen nachtwacht. Maar een paar mensen hadden werk waarvoor ze er in het donker nog op uit moesten. En de zwijntjes waren klein, klein genoeg om in het capimgras weg te duiken en volledig te verdwijnen. Geen wonder dat ze in weerwil van alle regels die bedoeld waren om te voorkomen dat ze zich die kennis verwierven, van alles over metaal en machines wisten. Ze hadden ongetwijfeld de mijnen gezien, ze hadden de pendel zien landen, hadden de bakstenen gebakken zien worden in hun reusachtige ovens, hadden de fazendeiros zien ploegen en de voor menselijke consumptie geschikte amarantsoort zien uitplanten. Geen wonder dat ze precies wisten waar ze om moesten vragen.

Wat ontzettend stom van ons om te denken dat we hen van onze cultuur gescheiden zouden kunnen houden. Ze hebben veel en veel meer voor ons geheim gehouden dan wij ooit voor hen geheim hadden kunnen houden. Daar sta je dan met je superieure beschaving.

‘Nee,’ zei Mandachuva terwijl hij hem zijn stengel afpakte. ‘Je moet de wortels niet hebben. Als je de wortels mee eet, heb je er niets aan.’ Hij gooide Miro’s stengel weg en plukte er zelf een, ongeveer tien centimeter boven de grond. Toen vouwde hij hem op en gaf hem aan Miro, die erop begon te kauwen.

Mandachuva kneep hem en stompte hem.

‘Maak je daar nu maar geen zorgen over,’ zei Miro. ‘Ga eerst Ouanda maar halen. Ze kunnen haar elk moment arresteren. Ga nu. Nu meteen.’

Mandachuva keek naar de anderen en zag kennelijk een of ander onzichtbaar teken van instemming want hij begon langs het hek te hollen in de richting van Vila Alte, waar Ouanda woonde.

Miro kauwde nog wat meer. Hij kneep zichzelf. Zoals de zwijntjes al hadden gezegd, voelde hij de pijn, maar die kon hem niets schelen. Het enige dat hem interesseerde was dat dit een uitweg was, een manier om op Lusitania te blijven. Hier te blijven, misschien wel met Ouanda. Vergeet de regels, alle regels. Ze hadden geen macht over hem als hij zich eenmaal buiten de mensenenclave bevond en in het zwijntjesbos verdween. Hij zou een verrader worden, daarvan werd hij nu toch al beschuldigd, en hij en Ouanda konden alle krankzinnige regels voor menselijk gedrag achter zich laten en leven zoals ze wilden. Ze konden een gezin stichten van mensen die volledig nieuwe waarden hadden, die van de zwijntjes leerden, van het leven in het bos; iets totaal nieuws op de Honderd Werelden, en het Parlement zou hen niet kunnen tegenhouden.

Hij rende op het hek af en greep het met twee handen beet. De pijn was niet minder dan tevoren, maar nu trok hij zich er niets van aan, hij klauterde omhoog. Maar met elke keer dat hij verpakte werd de pijn heviger en hij begon het zich wel aan te trekken, hij begon zich verschrikkelijk veel aan te trekken van de pijn, hij begon te beseffen dat het capimgras bij hem geen pijnstillende uitwerking had, maar inmiddels was hij al bijna boven. Hij werd gek van de pijn; hij kon niet meer denken; zijn bewegingen brachten hem omhoog en terwijl hij boven op het hek balanceerde, kwam zijn hoofd terecht in het verticale veld van het hek. Alle pijn die in zijn lijf mogelijk was bereikte tegelijk zijn hersens, alsof al zijn onderdelen in lichterlaaie stonden.

De Kleintjes zagen vol afschuw hoe hun vriend daar boven op het hek hing, met zijn hoofd en zijn borst aan de ene kant en zijn heupen en benen aan de andere kant. Ze schreeuwden, probeerden hem te bereiken om hem omlaag te trekken. Maar omdat ze geen capim gekauwd hadden, durfden ze het hek niet aan te raken.

Mandachuva hoorde hun geschreeuw en kwam terughollen. Zijn lijf bevatte nog genoeg verdoving om tegen het hek op te kunnen klimmen en het zware mensenlijf over het hek te duwen. Miro klapte met een verpletterende dreun op de grond, met zijn arm nog tegen het hek aan. De zwijntjes trokken hem weg. Zijn gezicht was helemaal verkrampt van ondraaglijke pijn.

‘Vlug!’ schreeuwde Bladeter. ‘Voor hij doodgaat, moeten we hem planten!’

‘Nee!’ antwoordde Mens terwijl hij Bladeter bij Miro’s verkrampte lijf vandaan duwde. ‘We weten helemaal niet of hij wel doodgaat! De pijn is een illusie, dat weet je, hij heeft helemaal geen wond, de pijn moet afzakken—’

‘De pijn zakt niet af,’ zei Pijl. ‘Kijk maar naar hem.’

Miro lag met gebalde vuisten; zijn benen lagen dubbelgevouwen onder zijn lijf en zijn ruggegraat en zijn nek waren zo verkrampt dat zijn rug helemaal hol stond. Hij ademde wel met korte, felle stoten, maar zijn gezicht leek steeds meer te vertrekken van de pijn.

‘Voor hij doodgaat,’ zei Bladeter, ‘moeten we hem wortel laten schieten.’

‘Ga Ouanda halen,’ zei Mens. Hij draaide zich om en keek Mandachuva aan. ‘Nu meteen. Ga haar halen en zeg dat Miro stervende is. Vertel haar dat de poort niet meer open kan en dat Miro aan onze kant van het hek ligt dood te gaan.’

Mandachuva vertrok rennend.

De secretaris opende de deur, maar pas toen hij Novinha metterdaad zag binnenstappen, liet Ender zijn opluchting de vrije teugel. Toen hij Ela naar haar toe had gestuurd, was hij ervan overtuigd dat ze zou komen; maar terwijl ze al die lange minuten op haar komst zaten te wachten, begon hij toch te betwijfelen of hij haar wel had begrepen. Die twijfel was helemaal niet nodig geweest. Ze was de vrouw die hij dacht dat ze was. Hij zag dat haar haar los hing en verwaaid was, en voor het eerst sinds hij op Lusitania was gearriveerd zag Ender in haar gezicht duidelijk het beeld van het meisje dat hem amper twee weken geleden in haar wanhopige verdriet had opgeroepen, meer dan twintig jaar geleden.

Ze zag er gespannen en bezorgd uit, maar Ender wist dat die bezorgdheid de huidige situatie gold; dat ze zo spoedig na het bekend worden van haar overtredingen het kantoor van de bisschop moest betreden. Als Ela haar had verteld dat Miro gevaar liep, kon dat ook bijgedragen hebben aan haar gespannenheid. Maar dit was allemaal van voorbijgaande aard; Ender zag aan haar gezicht, aan haar ontspannen manier van bewegen, aan haar vaste blik, dat het eind van haar langdurige bedrog voor haar inderdaad het geschenk was dat hij had gehoopt, dat hij dat bedoeld. Ik ben niet gekomen om je pijn te doen, Novinha, en ik ben blij te zien dat mijn Bespreking je iets beters dan alleen schande heeft gebracht.

Novinha bleef even staan en keek naar de bisschop. Niet brutaal, maar beleefd en waardig; hij beantwoordde haar blik op gelijke wijze en noodde haar kalm om te gaan zitten. Dom Cristão wilde al opstaan van zijn kruk, maar ze schudde haar hoofd, lachte en nam een andere kruk dicht bij de muur. Vlak bij Ender. Ela kwam achter en half naast haar moeder staan zodat ze gedeeltelijk achter Ender stond. Als een dochter die tussen haar ouders in staat, dacht Ender; maar meteen zette hij dat idee van zich af en weigerde er nog langer aan te denken. Er waren veel belangrijker zaken aan de orde.

‘Ik zie,’ zei Bosquinha, ‘dat het in uw bedoeling ligt dat dit een interessante bijeenkomst wordt.’

‘Volgens mij heeft het Parlement dat al voor ons beslist,’ zei Dona Cristã.

‘Uw zoon wordt beschuldigd,’ begon bisschop Peregrino, ‘van misdaden jegens—’

‘Ik weet waarvan hij wordt beschuldigd,’ zei Novinha. ‘Ik hoorde het pas vanavond toen Ela het me vertelde, maar het verbaast me niets. Mijn dochter Elanora heeft ook een aantal regels die haar meester haar had gesteld gebroken. Ze zijn beiden trouwer aan hun eigen geweten dan aan regels die anderen hun stellen. Als het je Streven is om de orde te handhaven, is dat een gebrek, maar als je doel is om je te leren aanpassen, is het een deugd.’

‘Uw zoon staat hier niet terecht,’ zei Dom Cristão.

‘Ik heb jullie gevraagd om hier bijeen te komen,’ zei Ender, ‘omdat er een beslissing genomen moet worden. Of we de bevelen van het Gesternteparlement al dan niet zullen uitvoeren.’

‘We hebben niet veel keus,’ zei bisschop Peregrino.

‘We hebben een heleboel keuzes,’ zei Ender, ‘en een heleboel redenen om te kiezen. Jullie hebben al één keus gedaan — toen jullie merkten dat jullie bestanden gewist zouden gaan worden, besloten jullie om te proberen ze te redden door ze aan mij, een vreemdeling, toe te vertrouwen. Jullie vertrouwen was niet misplaatst — ik zal jullie bestanden ongelezen en ongewijzigd teruggeven wanneer jullie maar wensen.’

‘Dank u,’ zei Dona Cristã. ‘Maar dat hebben we gedaan voor we de ernst van de beschuldiging kenden.’

‘Ze gaan ons evacueren,’ zei Dom Cristão.

‘Ze hebben alles in hun macht,’ zei bisschop Peregrino.

‘Dat heb ik hem al verteld,’ zei Bosquinha.

‘Ze hebben helemaal niet alles in hun macht,’ zei Ender. ‘Ze kunnen hun macht uitsluitend uitoefenen via de weerwortverbinding.’

‘We kunnen de weerwortverbinding niet verbreken,’ zei bisschop Peregrino. ‘Dat is onze enige verbinding met het Vaticaan.’

‘Ik stel ook niet voor om de weerwortverbinding te verbreken. Ik vertel jullie alleen maar wat ik kan doen. En als ik jullie dit vertel, dan vertrouw ik jullie op dezelfde manier als jullie mij vertrouwden. Want als jullie dit ooit aan iemand overbrieven zou het mij — en iemand anders die ik liefheb en van wie ik afhankelijk ben — onmetelijk veel kosten.’

Hij keek hen een voor een aan en ze knikten een voor een bevestigend terug.

‘Ik ben bevriend met iemand die de volledige beheersing heeft over de weerwortcommunicatie tussen alle Honderd Werelden — zonder dat iemand daarvan ook maar enig vermoeden heeft. Ik ben de enige die weet wat zij kan. En ze heeft me verteld dat wanneer ik haar dat vraag, zij bij de framlings de indruk kan wekken dat wij hier op Lusitania onze weerwortverbinding verbroken hebben. Terwijl we toch de mogelijkheid zullen hebben om beveiligde boodschappen te versturen als we dat willen — naar het Vaticaan, naar de kantoren van uw orde. We kunnen verre archieven raadplegen, we kunnen verre communicatie onderscheppen. Om kort te gaan, wij zullen kunnen zien en zij zullen blind zijn.’

‘De weerwortverbinding verbreken, zelfs in schijn, is een opstandige daad. Is een oorlogsverklaring.’ Bosquinha drukte zich zo hardvochtig mogelijk uit, maar Ender zag dat het idee haar eigenlijk wel aanstond, al verzette ze zich er uit alle macht tegen. ‘Ik moet wel toegeven dat als we krankzinnig genoeg zijn om te besluiten de oorlogsbijl op te graven, dat de Spreker ons hier een heel voordelig aanbod doet. En we zouden elk voordeel dat we konden krijgen nodig hebben — als we zo gek waren om in opstand te komen.’

‘We hebben niets te winnen bij een opstand,’ zei de bisschop, ‘en alles te verliezen. Ik vind het verschrikkelijk tragisch dat Miro en Ouanda op een andere wereld terecht zullen moeten staan, vooral omdat ze nog zo jong zijn. Maar het hof zal dat vast en zeker in zijn overwegingen betrekken en hen met clementie behandelen. En door de bevelen van de commissie op te volgen zullen we deze gemeenschap veel leed besparen.’

‘Denkt u niet dat evacuatie van deze wereld hun ook leed zal berokkenen?’ vroeg Ender.

‘Ja. Dat zal het zeker. Maar er is een wet overtreden en daarvoor moet boete gedaan worden.’

‘Maar als die wet nu eens gebaseerd was op een misverstand en de straf buiten elke proportie is ten opzichte van de zonde?’

‘Daar kunnen wij niet over oordelen,’ zei de bisschop.

‘Maar dat is precies wat we doen. Als we ons neerleggen bij de bevelen van het Parlement, zeggen we dat de wet goed is en de straf rechtvaardig. En misschien zullen jullie dat ook wel zeggen aan het eind van deze bijeenkomst. Maar er zijn een aantal dingen die jullie moeten weten voor jullie die beslissing kunnen nemen. Sommige van die dingen kan ik jullie vertellen en andere dingen kunnen alleen Ela of Novinha jullie vertellen. Jullie moeten je beslissing uitstellen tot jullie alles weten wat wij weten.’

‘Ik wil altijd graag zo veel mogelijk weten,’ zei de bisschop. ‘De uiteindelijke beslissing is natuurlijk aan Bosquinha en niet aan mij—’

‘De uiteindelijke beslissing is aan u allen, aan de burgerlijke, de geestelijke en de intellectuele leiders van Lusitania. Als een van u zich tegen rebellie uitspreekt, is rebellie onmogelijk. Zonder steun van de kerk kan Bosquinha niet besturen. Zonder steun van het burgerlijk bestuur heeft de kerk geen macht.’

‘Wij hebben helemaal geen macht,’ zei Dom Cristão, ‘alleen meningen.’

‘Elke volwassene op Lusitania komt bij u voor wijsheid en oprechtheid.’

‘U vergeet een vierde macht,’ zei bisschop Peregrino. ‘Uw eigen persoon.’

‘Ik ben hier een framling.’

‘Een zeer buitengewone framling dan,’ zei de bisschop. ‘In de vier dagen dat u hier bent, hebt u de ziel van dit volk gevangen op een manier die ik al vreesde en voorspelde. Nu raad u ons aan om in opstand te komen, wat ons alles zou kunnen kosten. U bent even gevaarlijk als de duivel. En toch zit u hier en onderwerpt zich aan ons gezag alsof u niet vrij was om in de pendel te stappen en hier te vertrekken als het sterschip naar Trondheim reist met onze twee jonge misdadigers aan boord.’

‘Ik onderwerp me aan uw gezag,’ zei Ender, ‘omdat ik hier geen framling wil zijn. Ik wil uw onderdaan zijn, uw leerling, uw parochiaan.’

‘Als Spreker voor de Doden?’ vroeg de bisschop.

‘Als Andrew Wiggin. Ik heb nog een aantal vaardigheden die misschien te pas kunnen komen. In het bijzonder als jullie besluiten om in opstand te komen. En ik heb ook nog ander werk te doen dat niet gedaan kan worden als de mensen van Lusitania worden verwijderd.’

‘We twijfelen niet aan uw oprechtheid,’ zei de bisschop. ‘Maar u moet ons maar vergeven als we niet erg staan te trappelen om de zijde te kiezen van een burger die nogal een laatkomer is.’

Ender knikte. De bisschop kon niet meer zeggen tot hij meer wist. ‘Ik zal u eerst vertellen wat ik weet. Vandaag, vanmiddag om precies te zijn, ben ik het bos in geweest met Miro en Ouanda.’

‘U ook! U hebt dus ook de wet gebroken!’ De bisschop kwam half overeind uit zijn stoel.

Bosquinha stak haar hand uit en maakte een gebaar om de woede van de bisschop te bezweren. ‘Het overhevelen van onze bestanden was vanmiddag allang aan de gang. Het parlementaire besluit kan onmogelijk iets met zijn overtreding te maken hebben.’

‘Ik overtrad de wet,’ zei Ender, ‘omdat de zwijntjes naar me vroegen. Ze eisten in feite dat ze me te spreken zouden krijgen. Ze hadden de pendel zien landen. Ze wisten dat ik er was. En ze hadden De zwermkoningin en de hegemoon gelezen.’

‘Hebben ze de zwijntjes dat boek gegeven?’ zei de bisschop.

‘Ze gaven hun ook het Nieuwe Testament,’ zei Ender. ‘Maar het zal u vast niet verbazen om te horen dat de zwijntjes erg veel overeenkomsten vonden tussen zichzelf en de zwermkoningin. Ik zal u vertellen wat de zwijntjes zeiden. Ze smeekten me om alle Honderd Werelden ervan te overtuigen dat de regels die hen hier gevangen houden moeten worden afgeschaft. Ziet u, de zwijntjes zien het hek heel anders dan wij. Wij zien het als een manier om hun beschaving te beschermen tegen beïnvloeding en bederf door mensen. Zij zien het als een manier om hen te verhinderen al onze wonderbaarlijke geheimen te leren kennen. Zij stellen zich voor dat onze schepen van ster naar ster reizen en alle werelden koloniseren en vol maken. En als ze over vijf- of tienduizend jaar, wanneer zij op eigen houtje alles uitgevonden hebben wat wij hun niet willen leren, eindelijk de ruimte ingaan, dan treffen ze daar alleen nog maar volle werelden aan. Dan is er voor hen helemaal geen plaats meer. Zij beschouwen ons hek als een vorm van volkenmoord. Wij willen hen op Lusitania houden als dieren in een dierentuin, terwijl we zelf uitzwermen en de rest van het heelal in bezit nemen.’

‘Dat is onzin,’ zei Dom Cristão. ‘Dat is helemaal onze bedoeling niet.’

‘O nee?’ was Enders wedervraag. ‘Waarom maken we ons dan zo druk over beïnvloeding door onze eigen cultuur? Zeker niet alleen in het belang van de wetenschap. Zeker niet alleen omdat het een goede xenologische procedure is. Vergeet alstublieft ook niet dat onze ontdekking van de weerwort, van reizen tussen de sterren, van gedeeltelijke zwaartekrachtbeheersing en zelfs van het wapen waarmee we de kruiperds vernietigden — dat alles was het rechtstreekse gevolg van ons contact met de kruiperds. Het grootste deel van de benodigde technologie staken we op van de machines die zij achterlieten na hun eerste verkenning van het zonnestelsel van de Aarde. We gebruikten die machines reeds lang voordat we ze begrepen. Sommige ervan, zoals bijvoorbeeld de filoot-helling, begrijpen we zelfs nu nog niet. Wij bevinden ons in de ruimte juist vanwege de schok die we kregen van een vernietigend superieure cultuur. Toch wisten we binnen een paar generaties hun machines over te nemen, hen te overvleugelen en te vernietigen. En dat is de betekenis van dat hek van ons — wij zijn bang dat de zwijntjes met ons hetzelfde zullen uithalen. En zij weten dat dat de betekenis is. Ze weten het en ze vinden het vreselijk.’

‘Wij zijn niet bang van hen,’ zei de bisschop. ‘Ze zijn — primitieve wilden, in hemelsnaam—’

‘Dat vonden we ook van de kruiperds,’ zei Ender. ‘Maar Pipo en Libo en Ouanda en Miro hebben de zwijntjes nooit als wilden gezien. Ze zijn anders dan wij, ja, ze verschillen veel meer van ons dan framlings. Maar toch zijn ze een volk. Ramen, geen varelse. En toen Libo dus zag dat er onder de zwijntjes hongersnood dreigde, dat ze zich voorbereidden om oorlog te gaan voeren om op die manier de bevolking te verminderen, handelde hij niet als een wetenschapper. Hij ging niet hun oorlog zitten waarnemen en aantekeningen zitten maken over het lijden en sterven. Hij handelde als een christen. Hij wist experimentele amarant te bemachtigen die Novinha had afgekeurd voor menselijk gebruik omdat hij te zeer verwant was met de Lusitaanse biochemie, en hij leerde de zwijntjes hoe ze die moesten planten en oogsten en tot voedsel bereiden. Ik twijfel er niet aan dat het de bevolkingsgroei en de amarantakkers waren die door het Gesternteparlement zijn opgemerkt. Geen opzettelijke schending van de wet, maar een daad van erbarmen en liefde.’

‘Hoe kunt u zo’n overtreding een christelijke daad noemen?’ zei de bisschop.

‘Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zoude bidden om brood, die hem eene steen zal geven?’

‘Zelfs de duivel citeert uit de bijbel als het hem in zijn kraam te pas komt,’ zei de bisschop.

‘Ik ben de duivel niet,’ zei Ender, ‘en de zwijntjes ook niet. Hun baby’s stierven van honger en Libo gaf hun voedsel en redde hun leven.’

‘En moet je zien wat ze met hem deden!’

‘Ja, laten we eens bekijken wat ze met hem deden. Ze doodden hem. Op precies dezelfde manier als waarop ze hun eigen meest geachte burgers ter dood brengen. Had ons dat niet iets moeten vertellen?’

‘Het vertelde ons dat ze gevaarlijk zijn en geen geweten hebben,’ zei de bisschop.

‘Het vertelde ons dat de dood voor hen iets heel anders betekent dan voor ons. Als u oprecht geloofde dat iemand volmaakt van hart was, bisschop, zo rechtvaardig dat een dag langer leven hem alleen maar minder volmaakt kon maken, zou het dan voor zo iemand niet goed zijn als hij gedood werd en rechtstreeks in de hemel terecht zou komen?’

‘U bespot ons. U gelooft helemaal niet in de hemel.’

‘Maar u wel! Hoe zit het dan met martelaren, bisschop Peregrino? Die werden toch vreugdevol in de hemel opgenomen?’

‘Natuurlijk werden ze dat. Maar de mensen die hen doodden waren beesten. Het vermoorden van een heilige maakte hen niet zalig, maar verdoemde hun zielen voor eeuwig tot de hel.’

‘Maar als de doden nu eens niet naar de hemel gaan? Als de doden nu eens pal voor je ogen tot een nieuw leven overgaan? Als een zwijntje nu eens, als het doodgaat en ze leggen zijn lichaam nauwkeurig op een bepaalde manier neer, wortel zou schieten en in iets anders zou veranderen? Als het nu eens in een boom zou veranderen die vijftig of honderd of vijfhonderd jaar blijft leven?’

‘Waar hebt u het over?’ vroeg de bisschop kwaad.

‘Probeert u ons te vertellen dat de zwijntjes op een of andere manier van dier in plant veranderen?’ vroeg Dom Cristão. ‘De grondslagen van de biologie leren toch dat dat zeer onwaarschijnlijk is.’

‘Het is vrijwel onmogelijk,’ zei Ender. ‘Daarom is het ook maar een handjevol soorten dat op Lusitania de Descolada overleefde. Omdat er maar een paar in staat waren om die overgang te maken. Als de zwijntjes iemand van hun volk doden, verandert hij in een boom. En de boom behoudt in ieder geval een deel van zijn verstandelijke vermogens. Want vandaag zag ik de zwijntjes zingen tegen een boom en vervolgens sneed die boom, zonder dat er enig gereedschap aan te pas kwam, zelf zijn wortels door, liet zich vallen en splitste zich in precies die vormen en afmetingen van hout en bast die de zwijntjes nodig hadden. Ik heb het niet gedroomd. Miro en Ouanda en ik hebben het met onze eigen ogen gezien, we hebben het zingen gehoord en het hout aangeraakt en gebeden voor de ziel van de dode.’

‘Wat heeft dit allemaal met onze beslissing te maken?’ vroeg Bosquinha. ‘De bossen bestaan dus uit dode zwijntjes. Dat is een zaak voor wetenschappers.’

‘Ik vertel u dat toen de zwijntjes Pipo en Libo doodden, zij dachten dat ze hen hielpen om over te gaan naar de volgende fase van hun bestaan. Ze waren geen beesten, ze waren ramen die de hoogste eer bewezen aan de mensen die hun zo’n grote dienst bewezen hadden.’

‘Zeker weer een van uw morele hervormingen?’ vroeg de bisschop. ‘Zoals u vandaag in uw Bespreking deed toen u ons Marcos Ribeira telkens weer in een ander licht liet zien, wilt u ons nu laten denken dat de zwijntjes edel zijn. Nu goed, dan zijn ze edel. Maar ik ben niet van plan om tegen het Parlement in opstand te komen, met alle ellende van dien, alleen maar om wetenschappers de gelegenheid te geven zwijntjes te leren hoe ze koelkasten moeten maken.’

‘Alstublieft,’ zei Novinha.

Ze keken haar verwachtingsvol aan.

‘U zegt dat ze onze bestanden leeggehaald hebben? Hebben ze ze allemaal gelezen?’

‘Ja,’ zei Bosquinha.

‘Dan weten ze alles wat ik in mijn bestanden heb. Over de Descolada.’

‘Ja,’ zei Bosquinha.

Novinha legde haar handen in haar schoot. ‘Er komt geen evacuatie.’

‘Dat dacht ik al,’ zei Ender. ‘Daarom vroeg ik aan Ela of ze jou erbij wilde halen.’

‘Waarom komt er geen evacuatie?’ vroeg Bosquinha.

‘Vanwege de Descolada.’

‘Onzin,’ zei de bisschop. ‘Uw ouders hebben daar een geneesmiddel tegen gevonden.’

‘Ze konden de ziekte niet genezen,’ zei Novinha. ‘Ze konden hem onder de duim houden. Ze zorgden ervoor dat hij niet actief kon worden.’

‘Dat klopt,’ zei Bosquinha. ‘Daarom mengen we die toevoeging door het water. De colador.’

‘Elke mens op Lusitania, behalve misschien de Spreker, die de ziekte mogelijk nog niet heeft opgelopen, is een Descoladadrager.’

‘De toevoeging is erg goedkoop,’ zei de bisschop. ‘Maar ze zouden ons kunnen afzonderen. Ik zie ze dat wel doen, ja.’

‘Het is nergens afgezonderd genoeg,’ zei Novinha. ‘De Descolada is eindeloos variabel. Hij valt alle soorten genetisch materiaal aan. De toevoeging kan aan mensen gegeven worden. Maar ze kunnen toch niet elke grasspriet ook de toevoeging geven? Of elke vogel? Of elke vis? Of elk stukje plankton in de zee?’

‘Kunnen die het allemaal krijgen?’ vroeg Bosquinha. ‘Dat wist ik helemaal niet.’

‘Ik heb het aan niemand verteld,’ zei Novinha. ‘Maar ik heb elke plant die ik kweekte een ingebouwde bescherming meegegeven. De amarant, de aardappelen, alles — de opgaaf was niet zozeer om het eiwit bruikbaar te maken, als wel om de organismen zover te krijgen dat ze hun eigen Descoladablokkers produceerden.’

Bosquinha was ontzet. ‘Dus overal waar wij komen—’

‘Kunnen we de volledige vernietiging van de biosfeer op gang brengen.’

‘En dat heeft u geheim gehouden?’ vroeg Dom Cristão.

‘Het was niet nodig om het bekend te maken.’ Novinha keek naar haar handen op haar schoot. ‘Deze informatie bevatte iets dat de zwijntjes ertoe had aangezet om Pipo te doden. Ik hield het geheim om te voorkomen dat iemand anders het ook zou ontdekken. Maar nu, met wat Ela de afgelopen jaren heeft ontdekt en na wat de Spreker vanavond heeft gezegd — nu weet ik wat Pipo ontdekt had. Het Descoladalichaampje splitst niet alleen de genetische moleculen om ze vervolgens te verhinderen om zich te herformeren of te verdubbelen. Het zet ze ook aan om zich te verbinden met volkomen uitheemse genetische moleculen. Ela heeft hier tegen mijn wil aan gewerkt. Al het inheemse leven op Lusitania is georganiseerd in plant-en-dier-stellen. De cabras met het capimgras. De waterslangen met het gramagras. De zuigvliegen met het riet. De xingadora-vogel met de tropeçorank. En de zwijntjes met de bomen van het bos.’

‘U bedoelt dat de een de ander wordt?’ Dom Cristão vond het een boeiende en tegelijk afstotelijke gedachte.

‘Misschien zijn de zwijntjes wel uniek in het feit dat het lijk van een zwijntje in een boom verandert,’ zei Novinha. ‘Maar wie weet worden de cabras bevrucht door het stuifmeel van het capimgras. Misschien ontwikkelen de vliegen zich uit de zaadpluimen van het rivierriet. Dat moet bestudeerd worden. Ik had het al deze jaren moeten bestuderen.’

‘En nu zullen ze dit allemaal weten?’ vroeg Dom Cristão. ‘Uit uw bestanden?’

‘Niet onmiddellijk. Maar de komende twintig a dertig jaar zullen ze er wel achter komen. Voor er hier nog meer framlings kunnen arriveren, weten ze het in ieder geval,’ zei Novinha.

‘Ik ben geen wetenschapper,’ zei de bisschop. ‘Iedereen schijnt het te begrijpen behalve ik. Wat heeft dit met de evacuatie te maken?’

Bosquinha zat met haar vingers te friemelen. ‘Ze kunnen ons niet van Lusitania weghalen,’ zei ze. ‘Waarheen ze ons ook zouden brengen, we nemen de Descolada met ons mee en die zou alles doden. Er zijn niet genoeg xenobiologen in de Honderd Werelden om zelfs maar één enkele planeet van de verwoesting te redden. Tegen de tijd dat ze hier aankomen, weten ze dat wij hier niet weg kunnen.’

‘Nou,’ zei bisschop Peregrino. ‘Dat lost dan mooi ons probleem op. Als we het hun nu meteen vertellen sturen ze zelfs geen vloot om ons te evacueren.’

‘Nee,’ zei Ender. ‘Bisschop Peregrino, als ze eenmaal weten wat de Descolada doet, zullen ze ervoor zorgen dat er nooit meer iemand deze planeet verlaat.’

De bisschop snoof. ‘Wat, denkt u dat ze de planeet zullen opblazen? Kom nou toch, Spreker, er zijn geen Enders meer onder de mensen. Het ergste wat ze kunnen doen is ons hier in quarantaine plaatsen—’

‘In dat geval hoeven we ons dus ook niet aan hun gezag te onderwerpen,’ zei Dom Cristão. ‘We kunnen hun een boodschap sturen waarin we hun alles over de Descolada vertellen en waarin we hun meedelen dat wij de planeet niet zullen verlaten en dat zij hier beter niet kunnen komen, en dat is dan dat.’

Bosquinha schudde haar hoofd. ‘Denkt u soms dat geen van hen zal zeggen: “De Lusitaniërs kunnen een hele wereld vernietigen door er alleen maar even een bezoekje te brengen. Ze hebben een sterschip, ze staan bekend om hun rebelse neigingen, ze hebben de moordlustige zwijntjes. Hun bestaan is een gevaar.” ’

‘Wie zou dat zeggen?’ vroeg de bisschop.

‘Niemand in het Vaticaan,’ zei Ender. ‘Maar het Parlement doet niet aan zieltjes redden.’

‘En misschien zouden ze nog wel gelijk hebben ook,’ zei de bisschop. ‘U zei toch zelf dat de zwijntjes ruimtevaart willen. Maar zij zullen overal waar ze komen ditzelfde effect hebben. Zelfs op onbewoonde werelden, nietwaar? Wat zijn ze van plan, eindeloos dit saaie landschap dupliceren — bossen van maar één boomsoort, prairies met maar één grassoort, met alleen de cabra om die te begrazen en alleen de xingadora om er overheen te vliegen?’

‘Misschien kunnen we ooit een manier vinden om de Descolada echt onder de duim te krijgen,’ zei Ela.

‘Voor zo ‘n kleine kans kunnen we onze toekomst niet op het spel zetten,’ zei de bisschop.

‘Daarom moeten we juist in opstand komen,’ zei Ender. ‘Omdat het Parlement dat ook zal denken. Precies zoals ze drieduizend jaar geleden deden met de anderlingenmoord. Iedereen veroordeelt de anderlingenmoord, omdat die een anderlingensoort vernietigde die achteraf onschuldige bedoelingen bleek te hebben. Maar zolang het ernaar uitzag dat de kruiperds vastbesloten waren om de mensheid uit te roeien, hadden de leiders van de mensheid geen andere keus dan om uit alle macht terug te slaan. Wij stellen hen opnieuw voor dat dilemma. Ze zijn al bang van de zwijntjes. En als ze eenmaal de Descolada begrijpen, zal het gedaan zijn met elke zogenaamde poging om de zwijntjes te beschermen. Omwille van het voortbestaan van de mensheid zullen ze ons vernietigen. Misschien niet de hele planeet. Zoals u al zei, er zijn tegenwoordig geen Enders meer. Maar ze zullen in ieder geval Milagre met de grond gelijk maken en elk spoor van menselijk contact uitwissen. Wat inhoudt dat ze alle zwijntjes die ons kennen zullen moeten doden. Daarna stellen ze deze planeet onder bewaking om ervoor te zorgen dat de zwijntjes zich nooit aan hun primitieve staat zullen ontworstelen. Als u wist wat zij weten, zou u toch hetzelfde doen?’

‘En dat zegt een Spreker voor de Doden?’ zei Dom Cristão.

‘U was erbij,’ zei de bisschop. ‘U was er de eerste keer bij, nietwaar? Toen de kruiperds vernietigd werden.’

‘De laatste maal konden we op geen enkele manier met de kruiperds praten, konden we op geen enkele manier uitmaken of ze ramen en geen varelse waren. Dit keer zijn wij ter plaatse. Wij weten dat we er niet op uit zullen trekken om andere werelden te verwoesten. Wij weten dat we hier op Lusitania zullen blijven tot we veilig de ruimte in kunnen trekken als de Descolada geneutraliseerd is. Dít keer,’ zei Ender, ‘kunnen we de ramen laten leven zodat de persoon die het verhaal van de zwijntjes optekent geen Spreker voor de Doden hoeft te zijn.’

Ineens deed de secretaris de deur open en Ouanda holde naar binnen. ‘Bisschop,’ zei ze. ‘Burgemeester. Jullie moeten meekomen. Novinha—’

‘Wat is er?’ vroeg de bisschop.

‘Ouanda, ik moet je arresteren,’ zei Bosquinha.

‘Arresteer me straks maar,’ zei ze. ‘Er is wat met Miro. Hij is over het hek geklommen.’

‘Dat kan hij niet doen,’ zei Novinha. ‘Dat kan zijn dood worden—’ Ineens besefte ze vol ontzetting wat ze had gezegd. ‘Breng me bij hem—’

‘Haal Navio,’ zei Dona Cristã.

‘Jullie begrijpen het niet,’ zei Ouanda. ‘We kunnen hem niet bereiken. Hij is aan de andere kant van het hek.’

‘Wat kunnen we dan nog doen?’ vroeg Bosquinha.

‘Het hek uitschakelen,’ zei Ouanda.

Bosquinha keek de anderen hulpeloos aan. ‘Dat kan ik niet. De commissie beheert het hek nu. Per weerwort. En zij zullen het nooit uitschakelen.’

‘Dan is Miro zo goed als dood,’ zei Ouanda.

‘Nee,’ zei Novinha.

Achter haar rug stapte nog een gestalte de kamer binnen. Klein en behaard. Behalve Ender hadden ze geen van allen ooit een zwijntje in levende lijve aanschouwd, maar ze wisten meteen wat voor wezen het was. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei het zwijntje. ‘Betekent dit dat we hem nu moeten planten?’

Niemand nam de moeite om te vragen hoe het zwijntje over het hek kwam. Ze hadden het te druk met tot zich laten doordringen wat hij bedoelde met Miro planten.

‘Nee!’ schreeuwde Novinha.

Mandachuva keek haar verbaasd aan. ‘Nee?’

‘Ik vind,’ zei Ender, ‘dat jullie geen mensen meer moeten planten.’

Mandachuva bleef als versteend staan.

‘Wat bedoelt u?’ vroeg Ouanda. ‘U maakt hem helemaal van streek.’

‘Ik vermoed dat hij voor de dag ten einde is nog wel wat meer van streek zal raken,’ zei Ender. ‘Kom, Ouanda, breng ons naar het stuk hek waar Miro achter ligt.’

‘Wat heeft het voor zin als we toch niet aan de andere kant van het hek kunnen komen?’ vroeg Bosquinha.

‘Waarschuw Navio,’ zei Ender.

‘Ik ga hem wel halen,’ zei Dona Cristã. ‘U vergeet dat niemand meer telefoneren kan.’

‘Ik vroeg wat het voor zin heeft,’ zei Bosquinha boos.

‘Ik heb het u al eerder verteld,’ zei Ender. ‘Als jullie besluiten om in opstand te komen, kunnen we de weerwortverbinding verbreken. En dan kunnen we het hek uitschakelen.’

‘Probeert u Miro ‘s ellende te gebruiken om mij in een bepaalde richting te dwingen?’ vroeg de bisschop.

‘Ja,’ zei Ender. ‘Hij is er een van uw kudde, nietwaar? Laat dus de negenennegentig anderen achter, herder, en ga met ons mee om dat ene verdoolde schaap te redden.’

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Mandachuva.

‘Breng ons naar het hek,’ zei Ender. ‘Met spoed, alsjeblieft.’

Ze liepen achter elkaar over de trap van het kantoor van de bisschop naar de kathedraal. Ender hoorde de bisschop achter zijn rug lopen te mopperen over het valselijk aanwenden van de Schrift voor eigen doeleinden.

Met Mandachuva voorop liepen ze door het gangpad van de kerk. Ender merkte dat de bisschop bij het altaar bleef staan en bedachtzaam naar het kleine, behaarde wezen keek dat de groep mensen leidde. Buiten de kathedraal kwam de bisschop naast hem lopen. ‘Ik zou graag uw persoonlijke mening horen, Spreker,’ zei hij. ‘Stel dat we het hek uitschakelen en we komen in opstand tegen het Gesternteparlement, zou er dan een eind komen aan alle regels betreffende het contact met de zwijntjes?’

‘Dat hoop ik,’ zei Ender. ‘Ik hoop dat dan alle onnatuurlijke barrières tussen hen en ons zullen zijn verdwenen.’

‘Dan,’ zei de bisschop, ‘zouden wij dus ook het evangelie van Jezus Christus aan de Kleintjes mogen verkondigen, nietwaar? Daar zou geen regel tegen bestaan.’

‘Dat klopt,’ zei Ender. ‘Misschien laten ze zich wel niet bekeren, maar het zou niet verboden zijn om het te proberen.’

‘Ik moet er nog eens over nadenken,’ zei de bisschop. ‘Maar misschien, beste heiden, zal jouw opstandigheid de weg vrijmaken voor de bekering van een groot volk. Misschien ben je toch wel door God hierheen gestuurd.’

Tegen de tijd dat de bisschop, Dom Cristão en Ender het hek bereikten, stonden Mandachuva en de vrouwen al een tijdje te wachten. Uit de manier waarop Ela zich tussen haar moeder en het hek had opgesteld en uit de manier waarop Novinha haar handen voor haar gezicht had geslagen, kon Ender opmaken dat Novinha al had geprobeerd om over het hek te klimmen om bij haar zoon te komen. Nu stond ze te huilen en tegen hem te schreeuwen. ‘Miro! Miro, hoe kon je dat nu doen, hoe kon je er nu overheen klimmen—’ terwijl Ela tegen haar praatte en haar best deed om haar te kalmeren.

Aan de andere kant van het hek stonden vier zwijntjes verbaasd toe te kijken.

Ouanda beefde van angst dat Miro dood zou gaan, maar ze had genoeg tegenwoordigheid van geest om Ender te vertellen wat hij volgens haar niet zelf kon zien. ‘Dat zijn Kommetje en Pijl en Mens en Bladeter. Bladeter probeert de anderen over te halen om hem te planten. Ik denk dat ik weet wat dat betekent, maar we hoeven niet bang te zijn. Mens en Mandachuva hebben hen ervan overtuigd dat ze het niet moeten doen.’

‘Maar dat brengt ons evengoed geen stap dichterbij,’ zei Ender. ‘Waarom deed Miro zo stom?’

‘Mandachuva heeft het me onderweg uitgelegd. De zwijntjes kauwen op capimgras en dat heeft een pijnstillende uitwerking. Zij kunnen over het hek klimmen wanneer ze maar willen. Kennelijk doen ze dat al jaren. Ze dachten dat wij het niet deden omdat we zo plichtsgetrouw onze wetten navolgen. Nu weten ze dat capimgras op ons niet dezelfde uitwerking heeft.’

Ender liep naar het hek. ‘Mens,’ zei hij.

Mens stapte naar voren.

‘Er bestaat een kans dat we het hek kunnen uitschakelen. Maar als we dat doen, zijn we in oorlog met alle mensen op elke andere wereld. Begrijp je dat? De mensen van Lusitania en de zwijntjes samen, in oorlog met alle andere mensen.’

‘O,’ zei Mens.

‘Gaan we winnen?’ vroeg Pijl.

‘Misschien,’ zei Ender. ‘Maar misschien ook niet.’

‘Ga je ons de zwermkoningin geven?’ vroeg Mens.

‘Eerst moet ik de vrouwen spreken,’ zei Ender.

De zwijntjes verstijfden.

‘Waar heb je het over?’ vroeg de bisschop.

‘Ik moet de vrouwen spreken,’ zei Ender tegen de zwijntjes, ‘omdat we een overeenkomst moeten sluiten. Een afspraak. Een stel onderlinge regels. Begrijpen jullie me? Mensen kunnen niet naar jullie wetten leven en jullie kunnen niet naar de onze leven, maar als we in vrede willen leven zonder hek tussen ons in en als ik de zwermkoningin bij jullie moet laten leven zodat ze jullie kan helpen en onderwijzen, dan moeten jullie ons een aantal dingen beloven waar jullie je dan ook aan moeten houden. Begrijpen jullie dat?’

‘Ik begrijp het wel,’ zei Mens. ‘Maar je weet niet wat je vraagt, onderhandelen met de vrouwen. Ze zijn niet pienter zoals de broeders pienter zijn.’

‘Zij nemen toch alle beslissingen?’

‘Natuurlijk,’ zei Mens. ‘Ze zijn uiteindelijk de hoeders van de moeders. Maar ik waarschuw je, met de vrouwen spreken is heel gevaarlijk. Vooral voor jou, omdat ze je veel eer toekennen.’

‘Als het hek wordt uitgeschakeld, moet ik met de vrouwen spreken. Als ik niet met hen kan spreken, blijft het hek ingeschakeld en dan zal Miro sterven en dan zullen we het Parlementsbesluit moeten uitvoeren dat alle mensen van Lusitania moeten vertrekken.’ Ender vertelde er niet bij dat het heel goed mogelijk was dat de mensen gedood zouden worden. Hij vertelde altijd de waarheid, maar niet altijd de hele waarheid.

‘Ik zal je bij de vrouwen brengen,’ zei Mens.

Bladeter liep naar hem toe en streek Mens minachtend over zijn buik. ‘Je naam klopt precies,’ zei hij. ‘Jij bent een mens en niet een van ons.’ Bladeter wilde weghollen, maar Pijl en Kommetje hielden hem tegen.

‘Ik zal je bij de vrouwen brengen,’ zei Mens. ‘Schakel nu het hek uit en red Miro ‘s leven.’

Ender keek de bisschop aan.

‘De beslissing is niet aan mij,’ zei de bisschop. ‘Die is aan Bosquinha.’

‘Ik heb een eed van trouw gezworen aan het Gesternteparlement,’ zei Bosquinha, ‘maar ik ben bereid die op staande voet te breken als ik daarmee het leven van mijn mensen kan redden. Ik stel voor dat we het hek uitschakelen en dat we het beste van onze opstand proberen te maken.’

‘Als we tegen de zwijntjes mogen preken,’ zei de bisschop.

‘Ik zal het vragen als ik de vrouwen spreek,’ zei Ender. ‘Meer kan ik niet beloven.’

‘Bisschop!’ riep Novinha. ‘Pipo en Libo zijn al achter dat hek gestorven!’

‘Schakel maar uit,’ zei de bisschop. ‘Ik zou deze kolonie niet graag aan zijn eind zien komen zonder dat er zelfs maar een begin is gemaakt met Gods werk.’ Hij grijnsde verbeten. ‘Maar Os Venerados kunnen maar beter spoedig heilig verklaard worden. We zullen hun hulp hard nodig hebben.’

‘Jane,’ mompelde Ender.

‘Daarom hou ik zo van je,’ zei Jane. ‘Jij kunt alles, zolang ik er maar voor zorg dat de omstandigheden precies goed zijn.’

‘Wil je alsjeblieft de weerwortverbinding verbreken en het hek uitschakelen?’ zei Ender.

‘Gebeurd,’ zei ze.

Ender rende naar het hek en klom er overheen. Met hulp van de zwijntjes tilde hij Miro tot boven aan het hek om vervolgens zijn verkrampte lijf in de wachtende armen van de bisschop, de burgemeester, Dom Cristão en Novinha te laten vallen. Navio kwam achter Dona Cristã langs de helling aanhollen. Wat er mogelijk was om Miro te helpen, zou gedaan worden.

Ouanda was bezig over het hek te klimmen.

‘Ga terug,’ zei Ender. ‘We hebben hem er al overheen.’

‘Als u met de vrouwen gaat praten,’ zei Ouanda, ‘ga ik met u mee. U hebt mijn hulp nodig.’

Daar had Ender niet van terug. Ze sprong omlaag en kwam naar Ender toe.

Navio zat naast Miro ‘s lichaam geknield. ‘Is hij óver het hek geklommen?’ zei hij. ‘Daarover staat niets in mijn handboeken. Dat is niet mogelijk. Niemand kan genoeg pijn verdragen om zijn hoofd door het veld te kunnen steken.’

‘Blijft hij leven?’ vroeg Novinha dringend.

‘Hoe kan ik dat nu weten?’ zei Navio terwijl hij haastig Miro ‘s kleren openknipte en allerlei sensors aan zijn lijf bevestigde. ‘Op de medische hogeschool heb ik hier nooit wat over geleerd.’

Ender zag dat het hek weer stond te schudden. Ela was bezig er overheen te klimmen. ‘Jóuw hulp heb ik niet nodig,’ zei Ender.

‘Het is hoog tijd dat iemand die iets afweet van xenobiologie te zien krijgt wat er gaande is,’ was haar weerwoord.

‘Blijf jij maar voor je broer zorgen,’ zei Ouanda.

Ela keek haar uitdagend aan. ‘Hij is net zo goed jouw broer,’ zei ze. ‘En laten we er nu allebei voor zorgen dat als hij doodgaat, dat niet voor niets is geweest.’

Met zijn drieën liepen ze achter Mens en de andere zwijntjes aan het bos in.

Bosquinha en de bisschop keken hen na. ‘Toen ik vanmorgen wakker werd,’ zei Bosquinha, ‘verwachtte ik niet dat ik vanavond als rebel weer naar bed zou gaan.’

‘Net zomin als ik verwachtte dat de Spreker onze ambassadeur bij de zwijntjes zou worden,’ zei de bisschop.

‘De vraag is,’ zei Dom Cristão, ‘of ze het ons ooit zullen vergeven.’

‘Bent u soms van mening dat we een vergissing begaan?’ snauwde de bisschop.

‘Absoluut niet,’ zei Dom Cristão. ‘Ik ben van mening dat we een stap hebben gezet in de richting van iets dat waarlijk groots is. Maar de mensheid is zelden geneigd om ware grootheid te vergeven.’

‘Gelukkig maar,’ zei de bisschop, ‘dat de mensheid in dat soort zaken niet oordeelsgerechtigd is. En nu ben ik van plan om voor deze jongen te gaan bidden, aangezien de medische wetenschap kennelijk aan de grens van haar kunnen staat.’

Загрузка...