16. Eindelijk: de zee!

‘Morgen zullen we Genua zien! Morgen komen we bij de zee!’

De woorden vlogen van mond tot mond en de kinderen gingen steeds sneller lopen. Nicolaas, precies zo ongeduldig, ging voorop, in zijn sneeuwwitte kleren, die niet meer zo wit waren als in het begin. Daarover droeg hij een met juwelen bezette gordel waarin een kostbare dolk aan een met zilver beslagen schede hing. De gordel van Carolus. Dolf had niet beter geweten of de kleine koning was met al zijn kostbaarheden begraven.

Maar blijkbaar had Nicolaas de verleiding niet kunnen weerstaan en zich het wapen toegeëigend. Dolf vond dat nogal kinderachtig van de herdersjongen, maar veel trok hij zich er niet van aan. Nicolaas mocht er zo indrukwekkend uitzien als hij wilde: als persoonlijkheid bleef hij zwak en nooit zou hij erin slagen een echte leider te worden. Al zouden ze hem volhangen met edelstenen en met goud overdekken: hij was en bleef de ledenpop van Anselmus, zonder eigen wil, zonder echte waardigheid.

Dolf besefte daarbij niet dat voor een middeleeuwer het uiterlijk juist álles betekende, en dat hijzelf aan invloed had verloren door Nicolaas de kans te geven zich met koninklijke eretekenen te behangen.

‘Genua, morgen komen we in Genua!’

De kinderen werden er door geëlektriseerd. Ze meenden dat ze, aan het strand van Genua aan de overzijde van de zee, Jeruzalem zouden zien liggen. Nu waren ze er bijna. De zee hoefde alleen maar even opzij te gaan en ze zouden juichend naar de Witte Stad kunnen stormen. Oei, dan zou je de duivelse Saracenen zien lopen! Kleine Thiess had de grootste mond van allemaal; hij voelde zich sterk als een beer en vertelde overal dat hij, alleen, wel tien van die duivels voor zijn rekening zou nemen.

Opeens werd het kinderleger in zijn vaart gestuit. Links van de diepliggende weg rees een dreigende stenen toren op, bezet met boogschutters. Over de weg was een slagboom neergelaten, bewaakt door ruiters en soldaten met hellebaarden. Ze hadden de eerste voorposten van de stad bereikt. Genua lag open aan de zee, maar het bergachtige achterland, dat wemelde van rovers en gespuis, werd goed onder controle gehouden. In die dagen was Genua de machtigste, rijkste en best verdedigde stad aan de Middellandse Zee, en onopgemerkt naderen was niet mogelijk. Het ongeduldige kinderleger, tot staan gebracht, drong op. Leonardo had moeite hen tot kalmte te brengen.

Samen met Dolf drong hij zich naar voren, waar Dom Anselmus en Nicolaas stonden te onderhandelen met de officieren. Tot zijn verbazing ontdekte Dolf dat Anselmus vloeiend Toscaans sprak.

Hoewel hij, op zijn aandringen, al een paar weken ijverig les had genomen bij Leonardo in diens moedertaal, begreep hij weinig van wat er besproken werd. De student wierp zich op als tolk.

‘De stad weet al van onze nadering. De Doge wenst niet dat de kinderen binnen de muren komen. We krijgen vrije toegang tot de zee, maar langs een andere weg, zodat we bij het strand zullen uitkomen, ten zuidoosten van de stad.’

Het kon de kinderen weinig schelen, áls ze maar bij de zee kwamen. Anselmus maakte zich echter kwaad en blies hoog van de toren. ‘Genua zal hier spijt van krijgen.’

Hij zei nog veel meer, dreigde met de wraak des hemels, redeneerde als een handelsreiziger die een ongewild artikel probeert te verkopen, maar de soldaten waren onverbiddelijk. Niemand zou de kinderen tegenhouden als ze naar de zee wilden gaan. Maar alleen niet door de stad. Genua wilde hen niet ontvangen.

Dom Johannis, die er ook bij was gekomen, gedroeg zich uiterst merkwaardig. Hij omhelsde de officier, terwijl de tranen langs zijn wangen liepen.

‘God zal je hiervoor zegenen, beste man. Ik zal elke dag voor je bidden.’

Anselmus gaf zijn collega een stomp, maar die liet zich niet weerhouden. ‘We hebben de stad niet nodig,’ riep hij uit. ‘We zullen naar het strand gaan en gelukkig zijn.’

Dolf begreep niets van zijn opgetogenheid. Ook Nicolaas stond raar te kijken. Wat mankeerde die dikke monnik?

Al met al betekende het kordon van soldaten dat om de stad was getrokken, dat zij opnieuw een omweg moesten maken. Ze kregen een paar ruiters mee om hen te begeleiden en de weg te wijzen. En toen, op het heetst van de dag, zagen ze van bovenaf: de zee! Rechts van hen, ingebed tussen de heuvels, in een breed dal met vele uitlopers, lag Genua te glanzen in de zon. Zo van bovenaf leek de stad een juweel dat door een reus uit de rotsen was gehouwen en dat hij daarna uit zijn handen had laten vallen, zodat het de helling was afgerold en tussen de bergen en de zee was blijven liggen. De talloze torens glinsterden in het zonlicht, als facetten van een diamant. Daartussen schitterden de daken van de huizenzee en boven alles uit stak het dak van de kathedraal, waarvan de helft in de steigers stond.

Dolf, midden tussen de duizenden kinderen op de heuvel, keek verbaasd neer op de machtige bolwerken en zeewallen en havenmondingen en kademuren. Hij keek neer op de rijkste en machtigste handelsstad van het Europese continent, in 1212 nog machtiger dan het snel groeiende Venetië of het aloude Pisa. Een stad van tegenstellingen: prachtige kerken, vieze herbergen, paleizen en sloppen, pakhuizen en mesthopen, zij aan zij. Een stad vol schurftige honden, verwaarloosde katten, mooi opgetuigde paarden, edelstenen en drek. In haar straten kon je alle landslieden van de wereld aantreffen: Denen net zo goed als Arabieren, Slaven en Grieken, Ieren, Bulgaren en Syriërs, gestrande kruisvaarders, mislukte handelaren, schatrijke kooplieden en armzalige bedelaars. Schone vrouwen, verminkte kinderen, geestelijken, geleerden en geboefte, beurzensnijders en lekenbroeders, schurken en edelsmeden. Een stad vol geheimen, intriges en moordaanslagen, maar ook de bergplaats van kunstschatten uit alle delen van de toen bekende wereld. Een steenrijke stad waar de armoede welig tierde. Een sterke stad waarin mensen ten onder gingen aan eigen zwakheid. Een trotse stad waarin mensen dagelijks werden vernederd. Waar de marmeren trappen van de kathedraal bezaaid lagen met stinkende bedelaars, waar in de paleizen de ratten en vlooien rondsprongen, waar de luizen talrijker waren dan de mensen en waar over het lot van zevenduizend onschuldige kinderen zou worden beslist.

En achter de stad lag de zee. Glinsterend en onoverzienbaar, blinkend in het felle middaglicht, zodat het pijn deed aan de ogen. Een zee waarvan de overzijde ver achter de horizon schuilging, waarop vissersschepen en roeibootjes heen en weer voeren, waarop vlotten met vissende mannen dobberden en waarboven de krijsende meeuwen cirkelden, doken, weer opstegen. De Middellandse Zee. In Dolfs eeuw een onweerstaanbare trekpleister voor vakantiegangers uit het Noorden. In deze eeuw: een vijand.

De kinderen waren er stil van geworden. De geweldige stad in het dal zagen ze nauwelijks, ze keken naar de zee, naar die prachtige, blauwe, onverbiddelijke zee. Bijna niemand van hen had ooit eerder een zee gezien en ze hadden zich er nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. De werkelijkheid verbijsterde hen. Met open mond stonden ze te kijken naar die ontzaglijke watermassa. Straks zouden ze afdalen naar het strand. Nicolaas zou de armen uitbreiden en de wateren zouden wijken… Maar nu ze die zee voor zich hadden en zagen hoe die zich uitstrekte tot aan het einde van de wereld, bekroop hen een vage angst. Hoe kon zoveel water opzij gaan?

Velen van de kleintjes meenden dat de stad daar in de diepte Jeruzalem moest zijn. Ze waren al zo lang onderweg, nog groter kon de wereld niet zijn. Ze barstten uit in juichkreten, drongen op, wilden afdalen om de Saracenen te zien vluchten. De groteren konden hen slechts met moeite weerhouden. Maar nu werden ook die ongeduldig. Ze wilden eindelijk getuige zijn van het grote wonder dat hun was beloofd. Ze wilden die oneindige watermassa zien splijten voor de herdersjongen. Juichend, gillend van opwinding, kwamen ze opeens in beweging, allen tegelijk, en stroomden de heuvel af in de richting van het strand.

In golven spoelden de kinderen over de rotsen, verspreidden zich langs de ruwe kust, sloegen op een vlak stuk hun kamp op, onder de schaduw van parasoldennen. Velen trachtten de stad te bereiken, maar werden tegengehouden en teruggestuurd door soldaten. Genua moest niets van het kinderleger hebben, leek het wel. Maar dat ontmoedigde de kleintjes niet. Hunkerend staarden ze naar de horizon — ach zo ver! — waarachter Jeruzalem moest liggen, de Witte Droom van hun kinderfantasie. Hongerig keken ze naar de vissersschepen die langs de kust heen en weer zeilden. En smekend richtten ze hun ogen op Nicolaas, op Leonardo, op Rudolf. Ze hadden niets meer te eten. ‘Morgen,’ sprak Anselmus luid, ‘zal Nicolaas het wonder verrichten. Zet zijn tent op, kinderen. Nicolaas zal eerst een etmaal lang vasten en bidden.’

Dat begrepen ze, ondanks hun ongeduld. Een wonder ging niet zomaar, daarop moest je je voorbereiden. De tent werd opgeslagen in de schaduw van een paar dennenbomen en Nicolaas trok zich zwijgend terug. Niemand werd verder in dit heiligdom toegelaten, zelfs niet de kinderen van edel bloed. Toen Dolf dit zag, kreeg hij bijna medelijden met de herdersjongen. Nicolaas geloofde zo vast in het wonder. Geloof kan bergen verzetten, maar niet de Middellandse Zee. Geloof kan een mens troosten in zijn ellende, maar het kan geen natuurkrachten opheffen. Nicolaas was voorbestemd om te falen. Dolf wist het en het verdroot hem. De opgewondenheid van de kinderen joeg hem ook angst aan. Wat zou er morgen gebeuren als het wonder niet doorging?

Dom Johannis liep over het kamp rond als een kip die zijn ei niet kwijt kan. Hij was zó zenuwachtig dat het Dolf opviel. En Johannis huilde. Hij huilde onophoudelijk, streek kinderen over het haar, drukte jongens en meisjes aan zijn hart, riep steeds maar: ‘God zal zich over jullie ontfermen, lieve kleinen,’ totdat Dolf ervan overtuigd was dat de man zijn verstand had verloren.

Vergeefs maande Anselmus de nerveuze monnik tot kalmte. ‘Houd je toch wat rustig, broeder. De kinderen zullen denken dat hun iets ergs boven het hoofd hangt.’

‘En is dat dan niet…’ begon Johannis trillend, maar Anselmus legde hem het zwijgen op.

‘Stil. Zet de kinderen aan het werk. Ik moet naar de stad. Het is nog vroeg genoeg.’

‘Nee, nee,’ riep Johannis en opeens viel hij op de knieën, gewoon op de stenige grond. Hij hief smekend de handen op naar Anselmus. ‘Doe het niet, Anselmus, ik smeek je, doe het niet!’

Dolf was nietsvermoedend voorbijgekomen, zonder dat ze hem hadden gezien, en bleef verrast staan.

Ongeduldig duwde Anselmus de andere monnik met zijn voet opzij, zodat de dikke Johannis bijna omrolde.

‘Sta op, dwaas. Ben je vergeten welke beloning ons wacht?’ En opeens zweeg hij verschrikt, want hij kreeg Dolf in het oog.

‘Wat doe je hier? Scheer je weg! Jij hebt niets te maken met wat heilige mannen onder elkaar te bespreken hebben. Zorg er liever voor dat die kinderen wat te eten krijgen.’

Dolf zei niets, keerde zich om en liep weg. Maar zijn hersens werkten op topsnelheid. Hij wist opeens dat hij Anselmus’ geheim zou kunnen ontdekken als hij op de juiste manier Dom Johannis kon benaderen. Want die wilde niet meer…

Wát wilde hij niet? Waarvan probeerde hij Anselmus te weerhouden? Waarom was hij zo zenuwachtig en zo vol medelijden met de kinderen? Johannis wist wat Anselmus in Genua ging doen en hij smeekte de donkere monnik het niet te doen… Wat niet?

‘Zorg dat ze wat te eten krijgen…’

Ja, dat was Dolfs taak en Anselmus’ woorden hadden hem automatisch teruggeworpen op dat werk. Spoedig zag Dolf dat hij het rustig aan de kinderen zelf kon overlaten. De visploeg — honderden jongens en meisjes — begaf zich al met netten en spiesen gewapend te water. De temperatuur van dat water verraste hen: het was lauw! Na de ijskoude beken en rivieren, waaruit ze wekenlang voedsel hadden gehaald, ontving deze zee hen met koestering. Ze dronken, en spuwden toen vol afschuw het zoute water weer uit.

Hoe konden er in zulk warm, zout water vissen leven? Maar ze waren er! Hele scholen zelfs. Vissen zoals ze nooit eerder hadden gezien, groot en klein dooreen.

De kinderen klauterden over de rotsen van de kust en stroopten de warme inhammen af. Ze vingen kreeften, krabben, poliepen en wisten er eigenlijk geen raad mee. Dolf vertelde hun hoe ze de vangst moesten schoonmaken en koken. Hij overtuigde hen ervan dat de kleine sardines en de doorzichtige garnalen en de kleine inktvissen zeer smakelijk zouden zijn als ze op de juiste wijze werden klaargemaakt. Vol geestdrift wierpen de kinderen zich daarna op de vangst, al griezelden ze vaak van de scharen, van de slijmerige zeedieren, de zuignappen en vreemde ogen.

‘Vanavond zoute vissoep,’ dacht Dolf vrolijk. ‘Eindelijk een hartige hap!’

Veel van de kleine vissers werden gebeten. Kreeften en krabben sloegen hun scharen in de blote voeten en handen. De zieken ploeg kreeg het er druk mee. Maar door ervaring leert een mens snel, en kinderen leren nog sneller. Ze werden voorzichtiger, ontdekten spoedig hoe ze de schaaldieren moesten aanpakken en welke rotsholten de meeste kans op buit boden. Peter genoot.

Ook de jagers waren eropuit getrokken. De beboste heuvels rond Genua werden afgestroopt. Deze wouden waren weliswaar minder rijk aan wild dan de bossen in het Noorden en stropen was hier evengoed verboden als in de andere landstreken, maar de honger deed de kinderen alle gevaren vergeten. Water vonden ze ook, dat wil zeggen: zoet water. Een halve mijl van het kamp ontdekten de verkenners een beekje dat in de richting van de zoute zee stroomde.

De Genuezen bemoeiden zich niet met het kinderleger. Ze hielden de kleinen buiten de stad — maar voor de rest konden ze hun gang gaan, en tegen plunderaars of stropers werd nauwelijks opgetreden. Als ze té brutaal werden, verscheen er een handvol soldaten die de lansen kruisten en hun de weg versperden. Dan dropen de kinderen af om een eindje verder naar het zuiden hun geluk te gaan beproeven. Dolf begreep er niet veel van. De Genuezen waren niet vijandig, dat was duidelijk. Maar hulp schenen de kinderen van de stadsmensen evenmin te kunnen verwachten. Blijkbaar begrepen de Genuezen niet goed wat het kinderleger hier kwam doen. Wat moesten ze hier?

‘En ik begrijp het evenmin,’ dacht Dolf in stilte. ‘Waarom toch juist Genua… het ligt buiten de route.’

Opeens herinnerde hij zich de vreemde opwinding van Dom Johannis en hij ging op zoek naar de monnik. Anselmus zag hij nergens meer: die was dus toch naar de stad gegaan. Nicolaas zat eenzaam biddend in de tent en weigerde alle voedsel. Dom Thaddeus had zijn pij opgeschort en hielp bij de visvangst. Maar waar was Johannis?

Eindelijk vond Dolf hem, een beetje terzijde van het kamp, in de schaduw van een bosje wilde struiken. De man zat weer op de knieën en leek wanhopig. Dolf ging naast hem zitten, schudde hem aan de arm.

‘Dom Johannis…’

‘Laat me met rust,’ antwoordde de monnik verstikt. Hij trok de kap van zijn pij over zijn hoofd en verborg het gezicht in de handen.

‘Dom Johannis, bent u ziek?’

‘Ik ben bang…’

‘Waarvoor?’

‘Voor de zee…’

Dolf dacht dat hij nu de zenuwachtigheid van Johannis wel begreep. Als morgen Nicolaas de zee zou willen bedwingen, en het lukte niet, dan zou er iets verschrikkelijks kunnen gebeuren. En de leiders van de kruistocht zouden moeten toegeven dat ze de kinderen hadden bedrogen.

‘Ook ik ben bang, Dom Johannis,’ zei Dolf ernstig. ‘Ik ben, net als u, een twijfelaar. Ik geloof niet in het wonder.’

De monnik hief het hoofd op en keek de jongen verbaasd aan.

‘Dat is het niet,’ prevelde hij.

‘U gelooft dus wél dat het wonder zal gebeuren?’

Johannis schudde het hoofd.

‘De schepen,’ fluisterde hij, bijna onhoorbaar. ‘Ik moet er steeds aan denken wat er gebeurde met de kinderen die in Marseille scheep gingen.’

Dolf begreep er nu niets meer van.

‘Welke kinderen?’

‘De Frankische kinderen… weken geleden.’

Dolf stond nog steeds voor een raadsel.

‘Ze gingen scheep,’ fluisterde de monnik, ‘nadat de zee geweigerd had voor hun voeten droog te vallen. Vijf schepen waren er, drie vergingen in de storm. De twee andere… Ze zeggen dat die goed zijn overgekomen, en dat de kinderen op de kust van Tunesië…’ Hij zweeg, overmand door verdriet.

‘Dom Johannis, ik begrijp er niets van. Wat waren dat voor kinderen, en hoe kwamen ze aan schepen?’

‘De schepen lagen op hen te wachten, in de haven van Marseille.’

‘Ja, maar… wie had dat dan georganiseerd en…?’

Opeens herinnerde Dolf zich dat hij Leonardo had horen praten over een andere Kinderkruistocht, in Frankrijk. Net zoiets als déze en ongeveer op dezelfde tijd vertrokken…

‘Dom Johannis, kunt u niet wat duidelijker zijn? Wat gebeurde met die kinderen, en hoe kwamen ze juist in Marseille?’

‘Dat was het plan. Twee mannen — en een herdersknaap — brachten hen daar. De kinderen wisten niet beter of ze waren op weg naar het Heilige Land. Stefan, de herdersjongen, zou de zee doen droogvallen, zodat ze te voet… Maar er gebeurde natuurlijk niets met de zee, en toen waren de kinderen wanhopig en diep teleurgesteld. Maar er lagen vijf schepen, die wachtten al een week. Die schepen, zeiden de leiders, zouden hen naar het Heilige Land brengen.’

‘Ja, maar wat moesten ze dan in Tunesië?’

‘Begrijp je dat niet, Rudolf? De schepen zetten regelrecht koers naar Noord-Afrika, naar de slavenmarkten. Dat was van begin af aan het plan.’

‘Wat!’

Dolf moest dat eerst even verwerken. Heel langzaam drong de omvang van het schandaal tot hem door.

‘Dus… die kinderen waren voorbestemd om… Maar dat is toch verschrikkelijk! Dom Johannis, wilt u zeggen dat deze Duitse kinderen ook… Dat in de haven van Genua schepen liggen die ons naar Afrika zullen brengen, waar we als slaven verkocht zullen worden? Bedoelt u dat?’

De man knikte en keek schuw rond.

‘Dus dáárom… dáárom moesten we naar Genua… Grote God, dat is…’

Dom Johannis zuchtte diep.

‘… en drie schepen vergingen, alle opvarenden verdronken,’ mompelde hij verdrietig. ‘Dat moet in dezelfde dagen gebeurd zijn toen wij het ook zo moeilijk hadden, met het slechte weer in de bergen.’

‘En… en… onze kinderen?’

Dom Johannis zweeg beschaamd, met gebogen hoofd.

‘Bedoelt u,’ fluisterde Dolf ontzet, ‘dat op ons ook schepen wachten, hier in Genua, om ons naar Afrika te brengen, terwijl de kinderen denken dat ze naar Palestina gaan?’

De man knikte.

‘En dat… dat wilt u toelaten?’

‘Nee!’ riep de monnik. ‘Ik kan het niet — niet meer! Ik heb Anselmus gesmeekt… maar hij wilde niet luisteren, hij wil doorzetten, hij wil zich de zakken zilver niet laten ontgaan.’

‘Afgesproken werk dus,’ mompelde Dolf woedend. ‘Al die weken heb ik geweten dat de kinderen met dat mooie sprookje bedrogen werden, dat er iets achter stak, iets geheimzinnigs en gemeens… Dom Johannis, hoe lang weet u dit al?’

De man antwoordde niet.

‘Wist u het, al die tijd… al vanaf Keulen?’ vroeg Dolf ongelovig. Stilte.

‘U… u heeft dat plan zelf…?’

‘Nee. Niet ik… zelfs niet Anselmus. Maar wij voerden het uit.’

‘Wie heeft het bedacht? Wie is op dat godgeklaagd slechte idee gekomen om duizenden kinderen te ronselen en met een smoesje naar een haven te lokken om ze dan als slaven te verschepen? Wie?’

Johannis haalde de schouders op.

‘Anselmus soms?’

Zwijgen.

‘O toe, Dom Johannis, zeg toch iets. Wat gaat er gebeuren?’

‘Ik weet het niet,’ fluisterde de man zielig. ‘We zijn te laat. God geve dat we véél te laat zijn gekomen en dat de schepen al zijn vertrokken.’

‘Te laat?’

‘We hadden hier omstreeks het midden van de hooimaand moeten zijn. Het is nu al ver in de oogstmaand.’

‘Ja… dat denk ik ook. Half augustus… Aha, dus dáárom had Anselmus altijd zo’n haast! Daarom joeg hij ons op en werd woedend over elk oponthoud!’

Johannis knikte.

Dolf had nog altijd moeite om de zaak te verwerken. Het leek zo ongelooflijk dat volwassen mensen op de gedachte konden komen duizenden kinderen die van niets wisten, als slaven te verkopen naar de Noord-Afrikaanse landen.

‘Jeruzalem ligt niet in Noord-Afrika,’ zei hij langzaam.

‘Dat weet ik, dat weet Anselmus ook — en jij weet het. Maar de kinderen vermoeden niets.’

‘En waarom?’ vroeg Dolf wanhopig.

‘Er is ons veel geld beloofd. In Genua zouden we een denarie per kind krijgen, mits het gezond en sterk was.’

‘Dat is niet mis,’ liet Dolf zich ontvallen, die intussen de waarde van het zilvergeld in de dertiende eeuw had leren kennen. ‘Zevenduizend denariën… dat is een fortuin!’

Johannis knikte en huiverde toen.

‘Ik wil niet meer,’ fluisterde hij. ‘Ik kán het niet… Al die kinderen, ze zijn zo argeloos, ze weten van niets, ze verlangen naar Jeruzalem… Ik hou zoveel van ze, Rudolf.’

Dolf knikte. Maar zijn ontzetting nam toe. Mariecke op de slavenmarkt van Tunesië. De mooie, kordate Hilde. De blonde Frieda met haar kruidenkennis. De sterke Bertho, Peter, Frank, Carl… Het was ondenkbaar!

‘Dit mag niet gebeuren, Dom Johannis!’

De man kromp ineen.

‘Noem mij geen Dom, ik ben die titel niet waard.’

‘U bent geen echte monnik?’

‘Nee. Niet meer… Ach Rudolf, eens was ik een goed mens, eens wilde ik een heilig man worden. Maar ik was het niet waard. Ik werd uit het klooster gejaagd, als een onwaardige… En toen kreeg ik het moeilijk. Ik had geen toekomst, geen beroep, ik werd een zwerver en moest leven van diefstal en roof. In Genua ontmoette ik Anselmus, hij was er even slecht aan toe als ik. Maar hij was veel slimmer dan ik, gewetenlozer ook. Hij kende vele mensen met een slechte reputatie: kaperkapiteins, smokkelaars… Anselmus kende een man die Boglio heette en die ons vroeg of we hem wilden helpen. Wie het plan om kinderen in de noordelijke landen te ronselen, heeft uitgedacht, weet ik niet. Maar Boglio vertelde ons van twee namaakmonniken die naar Frankrijk waren gegaan om daar verwaarloosde en rondzwervende kinderen bijeen te halen en naar Marseille te brengen. Hij vroeg ons of wij dat ook wilden doen, in de Duitse landen. En hij beloofde ons een vorstelijke beloning. Blonde sterke kinderen uit het Noorden brengen in Tunesië een hoge prijs op. De Arabieren kopen hen graag.’

Dolf rilde van afkeer en trachtte zich te beheersen. Het liefst zou hij Johannis bij de keel hebben gegrepen en… Met veel moeite dwong hij zich tot kalmte.

‘En u ging erop in?’

‘Wat had ik anders moeten doen? Ik had geen keus… En ik zag er ook niet veel kwaad in.’

‘U vond het heel gewoon om kinderen te bedriegen en in slavernij te laten gaan?’ vroeg Dolf verbijsterd.

Johannis boog weer het hoofd.

‘De Arabieren staan bekend als beschaafde meesters, hun slaven hebben niet zo’n slecht leven ais ze gewillig zijn. En wat waren het voor kinderen die wij zouden halen? Wezen en verschoppelingen, weggelopen kleine horigen, ongehoorzame luie wezentjes, die toch al leefden van bedrog en roof of van bedelarij, die nooit oud zouden worden omdat ze waren voorbestemd aan de galg te eindigen of ellendig om te komen in de volgende winter… Die kinderen verzamelen en verkopen leek bijna een weldaad, want ze zouden worden verscheept naar warme landen, naar een beschaafd en rijk volk, ze zouden een beter leven krijgen dan ze ooit hadden gehad…’

‘… maar als slaaf!’ barstte Dolf uit.

‘Ja.’

‘Als slaven van de heidenen ook nog!’

Johannis knikte beschaamd.

‘Maar waarom moesten die kinderen uit het Noorden komen.’

‘Blond en blank… daar houden de heidenen van. Bovendien, hier in het zuiden… De Lombardijse en Toscaanse ridders hebben nooit veel gevoeld voor kruistochten. De Italianen willen wél aan kruisvaarders verdienen, maar niet aan kruistochten deelnemen. In het Noorden is het bijna traditie geworden om op kruisvaart te gaan, daar leeft nog steeds heel sterk het verlangen om Jeruzalem te bevrijden. Vooral bij het lagere volk. De hoge heren hebben er niet veel zin meer in, maar kinderen kun je er wel geestdriftig voor maken. Anselmus en ik zijn Lombardijers, we spraken het Diets vloeiend en… nu ja, wij gingen naar de Duitse landen om te zien hoeveel kinderen we konden meelokken. Het bleken er ontstellend veel te zijn, veel meer dan we hadden verwacht. Veel te veel zelfs voor de zes schepen die in Genua op ons zouden wachten omstreeks het midden van de hooimaand.’

‘Jullie rekenden erop dat toch ten minste de helft onderweg zou uitvallen, omkomen of teruggaan?’

Johannis zweeg.

‘Wat gemeen,’ fluisterde Dolf. ‘Jullie hebben misbruik gemaakt van hun goedgelovigheid, van hun vroomheid… Jullie vertelden hun dat prachtige sprookje over de Witte Stad, en al die tijd, al die tijd wisten jullie dat… Hoe kon u zoiets doen, Johannis? Schaamt u zich niet? Die flinke, dappere kinderen, die zich met zoveel moed door de moeilijkheden heen sloegen, die… die nu weten wat vrijheid betekent, juist die wilde u verkopen, als slaven!’

‘Ik kán het niet,’ prevelde de man verpletterd. ‘Ik hou te veel van ze. O, Rudolf, begrijp je het niet? Ik ken ze toch! Ik heb toch gezien hoe ze zich verdedigden tegen wilde dieren, tegen rovers, tegen het klimaat… hoe ze elkaar hielpen en moed inspraken en… Rudolf, help me. Ze mogen geen slaven worden, dit zijn geen waardeloze wezens, het zijn stuk voor stuk prachtige mensenkinderen die gered moeten worden.’

‘Ja, dat ben ik helemaal met u eens. Maar hoe?’

Dolf verviel in nadenken. Dat het berouw van Johannis echt was, kon hij wel zien. Dat de man het gigantische bedrog niet had kunnen volhouden tot het einde toe, was iets waarover hij zich zou moeten verheugen. Maar zijn woede over het duivelse plan was te groot.

‘We moeten ze tegenhouden,’ fluisterde Johannis die, opgelucht omdat hij zijn bezwaarde hart had kunnen luchten, nu wat meer moed kreeg. ‘We moeten ervoor zorgen dat ze zich niet laten verleiden scheep te gaan.’

‘Zijn de schepen er dan nog? Hebben ze werkelijk al die tijd gewacht?’ vroeg Dolf geschrokken.

‘Ik weet het niet. Anselmus is vanmiddag naar de stad gegaan om te zien of hij Boglio kon vinden. Ik bid dat het te laat is. Maar ik weet het niet zeker…’

Dolf kreeg een inval.

‘Nicolaas…’ riep hij. ‘Weet Nicolaas waarom de kinderen naar Genua werden gebracht?’

‘Nee. Hij gelooft in de kruistocht.’

‘Hoe hebben jullie Nicolaas zo gek gekregen dat hij zich inbeeldde een heilige te zijn, voor wie de zee zou wijken?’

‘O, dat was niet zo moeilijk. Zodra de winter voorbij was, trokken Anselmus en ik over de bergen en gingen naar het Noorden. We keken rond en zochten een stevige herdersjongen uit — en hem bestookten we met wonderen. We wachtten tot de avond, staken een houten kruis in brand en lieten dat van achter een heuveltop verschijnen, natuurlijk zó dat Nicolaas ons niet kon zien, alleen dat vlammende kruis. Maar wij konden hem wel zien… Hij viel op de knieën en hief de handen ten hemel. Daarna lieten we het kruis snel dalen, we doofden het en toen hield Anselmus de handen voor de mond en riep met holle stem: “God roept je, mijn zoon.” Want we wisten toen zijn naam nog niet. Zo toverden we nog veel meer hocus-pocus voor hem. Later in de nacht, toen de jongen sliep — want hij sliep buiten, een huis had hij niet — kropen we naar hem toe en Anselmus begon hem van alles in te fluisteren. Hij vertelde hem dat hij de stemmen van engelen hoorde, die hem opriepen om met een heel kinderleger naar het Heilige Land te gaan — al dat soort zaken. De jongen werd half wakker, maar hij luisterde, stijf van verbazing en ontzetting — en je kunt het geloven of niet, maar hij twijfelde geen moment aan zijn uitverkiezing. We hadden eindelijk de goede knaap gevonden.’

‘Eindelijk?’

‘Ja. Hetzelfde kunstje hadden we al tweemaal eerder geprobeerd. De eerste jongen liep schreeuwend weg, kwam in een moeras terecht en verdronk. De tweede ging ook op de loop, regelrecht naar de pastoor van zijn dorp om te vertellen wat hij had gezien en gedroomd. Daaraan hadden we dus ook niets. Nicolaas geloofde meteen dat hij een uitverkorene was. Die jongen moet een hoogmoedig karakter hebben.’

‘Dat heeft hij zeker,’ knikte Dolf. ‘En wat gebeurde er toen verder?’

‘Nadat we Nicolaas drie nachten achtereen hadden bewerkt met vuurkunstjes en onzichtbare stemmen en we merkten dat hij de kudde begon te verwaarlozen, omdat hij zich een uitverkorene des hemels voelde, naderden we hem open en bloot, midden op de dag — natuurlijk in onze monniksdracht. We knielden voor hem neer, huldigden hem en vertelden hem hoe ons in een visioen was geopenbaard dat hij was uitverkozen om een leger van onschuldige kinderen naar het Heilige Land te leiden. En dat wij hem daarbij moesten helpen.’

‘En hij geloofde jullie op slag?’

‘Ja. Met z’n drieën verlieten we de streek en trokken naar Keulen. Onderweg deden we niets dan preken en we kregen meteen al een flinke aanhang. Met honderden kinderen kwamen we toen in Keulen aan en daar werd Nicolaas nog eens zo ijverig. Op het grote Domplein voor de nieuwe kerk preekte hij dagen achtereen en de toeloop van kinderen werd steeds groter. Twee weken voor Pinksteren vertrokken we uit Keulen en nog steeds bleven de kinderen toestromen uit heel de wijde omgeving. Anselmus werd in Keulen door de aartsbisschop ontboden, samen met Nicolaas. Ik ben bij dat gesprek niet aanwezig geweest — hoe Anselmus en Nicolaas de aartsbisschop van hun heilige missie konden overtuigen, begrijp ik nóg niet. Maar Anselmus is slim… Het gevolg was dat we een ossenwagen, een span witte ossen en een tent kregen, en dat de aartsbisschop zelfs zijn nichtje Hilde en haar kleine beschermer Carolus met ons meezond. En daardoor kwam het dat er bij ons vertrek nog meer kinderen van edel bloed zich bij ons aansloten. Anselmus vond dat een beetje gevaarlijk. Geen mens zou zich er iets van aantrekken als ze over al die verschoppelingen en weeskinderen nooit meer iets hoorden, maar als ooit bekend zou worden dat baronskinderen als slaaf verkocht waren, dan zou dat wel eens op moeilijkheden kunnen uitdraaien.’

‘Bang voor de wraak van de vaders?’

‘Eigenlijk wel. Maar gelukkig kwamen er niet veel kinderen van edel bloed en degenen die er waren, werden met veel onderscheiding behandeld.’

‘Ja, dat heb ik gezien,’ zei Dolf bitter.

‘Daarom was ik blij dat Fredo ons vóór de bergen al in de steek liet. Het kinderleger was trouwens veel te groot geworden — zo’n geweldige toeloop hadden we niet verwacht. We schoten niet op. En hoe moesten we al die kindertjes voeden en beschermen? Het zou ook niet mogelijk zijn om ze allemaal onder te brengen op de zes schepen die in Genua op ons zouden wachten. Maar Anselmus zei: “Hoe meer, hoe beter. Onderweg zullen er tallozen omkomen. Alleen de sterksten zullen de reis overleven en die brengen het meeste zilver op.”’

Dolf huiverde van zoveel cynisme. Knarsetandend mompelde hij: ‘Zo’n duivel.’

‘… en toen kwam jij,’ vervolgde Johannis zijn verhaal. ‘Jij en Leonardo, en dat veranderde alles. Eerst dachten we dat je ook het kind van een ridder was, je trad zo zelfverzekerd op. Je verweet ons dat we niet goed voor de kinderen zorgden en dat was waar. Ik schaamde me toen al en de hele onderneming begon me tegen te staan. Jij kwam als uit de hemel gevallen en je leerde ons hoe we de tocht beter konden organiseren, zodat er niet meer zoveel kinderen stierven. En toch vertrouwde ik je niet helemaal…’

‘Hoe bedoelt u?’

‘Je werkte zo hard voor hun welzijn, alsof je wist wat we met die kinderen van plan waren en je enige doel was: er zoveel mogelijk sterk en gezond in Genua te krijgen. Daarom dacht ik: Anselmus en Rudolf spelen onder één hoedje.’

‘Zag u mij voor een slavenhandelaar aan?’ vroeg Dolf woedend.

‘Soms… ik weet het niet. Ik twijfelde steeds. En als ik er Anselmus naar vroeg, gaf hij ontwijkende antwoorden. Maar ik merkte ook dat hij je haatte, dat hij alleen gebruik van je wilde maken, zoals hij Nicolaas gebruikte.’

Dolf probeerde de vreemde kronkels van ’s mans brein te volgen. Het lukte hem niet helemaal.

‘Ik dacht,’ zei Johannis zacht, ‘dat jij ons door de Duivel was gezonden. Want dit hele plan om de kinderen naar Afrika te verkopen, moet ook door de Duivel zijn uitgedacht. En jij hielp Anselmus, jij hield de kinderen in leven… Elk oponthoud was mij welkom: hoe langer het zou duren voordat we in Genua kwamen, hoe meer kans de kinderen hadden om aan hun lot te ontsnappen — en toen ontdekte ik dat jij ook geen haast had. Dat maakte dat ik weer ging twijfelen. Toen de Scharlaken Dood ons besprong, dacht ik: dat is een teken uit de hemel. God wil niet dat we Genua bereiken. En wat deed jij? De Scharlaken Dood verjagen. Ik begreep er niets meer van.’

‘U had me veel eerder in vertrouwen moeten nemen, Johannis.’

‘Ja, dat zie ik nu ook in. Maar ik durfde niet. Ik was bang voor Anselmus. Hij zou me in een afgrond geduwd hebben als hij had gemerkt dat ik de moed had verloren en de kinderen niet in slavernij wilde laten gaan. En jou durfde ik niet volledig te vertrouwen… De hele reis hoopte ik op een wonder, op iets wat ons zou noodzaken terug te keren. Elke ramp die ons overkwam, begroette ik met vreugde. Maar nooit keerden de kinderen om, nooit gaven ze de moed op. Ze wilden de zee zien, ze wilden het wonder beleven dat Nicolaas hun had beloofd. Ach Rudolf, wat moeten we toch doen?’

‘De kinderen tegenhouden. Zorgen dat Anselmus geen contact kan opnemen met de kaperkapiteins.’

‘Ik heb hem gesmeekt…’

‘Anselmus is de man niet om zich te laten smeken. Zo’n schurk kun je alleen doodslaan als je wilt verhinderen dat hij zijn plannen uitvoert,’ zei Dolf grimmig.

‘Je hebt gelijk, Rudolf. Anselmus is meedogenloos.’

‘Het is de hoogste tijd dat wij dat ook worden,’ prevelde Dolf bitter.

‘Wat wil je doen? Als je probeert de kinderen te vertellen wat het lot is dat hun wacht, zullen ze je niet geloven. En als Anselmus merkt dat je van zijn plannen op de hoogte bent, nu, dan zal hij je vermoorden.’

‘En u erbij,’ knikte Dolf. De man sidderde.

‘Maar het is al te laat,’ fluisterde de jongen opeens. ‘Anselmus is naar de stad gegaan…’

‘Weet je,’ zuchtte Johannis. ‘Hij verheugde zich op het ogenblik dat hij jou een schip zou zien betreden. De gedachte dat jij, met al je slimheid en kracht, over een paar weken op een slavenmarkt in Tunesië te koop zou worden aangeboden, vervulde hem met een duivelse vreugde.’

Dolf opende de mond en sloot hem weer. Hij ziedde van woede. Maar Johannis had gelijk. Dolf zou nietsvermoedend en gedreven door zijn bezorgdheid voor Mariecke en de duizenden anderen kalmweg zijn méégegaan!

‘O, vervloekt!’ gromde hij. ‘Dat zal ik die ellendige Anselmus betaald zetten.’

‘Doe dat, Rudolf. Jij bent zo sterk en slim — en je bent niet bang.’

‘U wel? Nog steeds?’

Johannis wendde beschaamd het hoofd af.

‘Ja,’ zei hij zacht. ‘Ik ben bang, ik ben een zondaar. Ik wil niet sterven, nog niet, ik zal verdoemd zijn…’

‘Johannis, waarom vertrouwt u mij nu opeens wel?’

‘Niet opeens… al heel lang. Ik zag hoe Anselmus je haatte. Hoe hij je wilde vernietigen tijdens dat volksgericht. Toen wist ik dat je niet zijn medewerker was, maar zijn grootste tegenstander.’

‘Had u mij toen niet kunnen vertellen wat er aan de hand was, en wat Anselmus’ plannen waren?’

‘Ik durfde niet. En ik dacht, ik hoopte… God zal dit niet toestaan, Hij zal ons nooit tot Genua laten komen. Maar…’

‘Maar we kwamen er!’

De man zweeg ongelukkig.

‘O, waarom heeft u me niet veel eerder alles verteld! Dan zou Carolus misschien nog geleefd hebben,’ zei Dolf en opeens zat hij te huilen.

‘Ja,’ fluisterde de man berouwvol. ‘God duldde niet dat Carolus een slaaf zou worden. Hij nam hem tot Zich… En toen wist ik het, toen wist ik hoe slecht ik was, hoe groot de zonde was die ik op mijn ziel had geladen, en dat ik iets moest doen… iets, wat dan ook, om Anselmus tegen te houden, al zou het mij mijn leven kosten. Maar ik durfde nog steeds niet, ik was bang… Rudolf, ik ben een lafaard. Ik weet dat ik slecht ben, dat ik moet ingrijpen, en ik kán het niet, ik durf niet. Jij, jij durft. Neem het van mij over, ik ben te zwak. Houd die kinderen tegen, laat ze onder geen voorwaarde scheep gaan. Het zal hun ondergang worden. Rudolf…’

‘Natuurlijk zal ik ze tegenhouden!’ riep Dolf.

‘Wat ga je doen?’

De jongen had geen flauw idee. De kinderen inlichten. Ja, dat klonk eenvoudig genoeg, maar zouden ze hem geloven? De droom van de Witte Stad zat er diep ingehamerd. Hij probeerde na te denken, maar de gedachten tolden wild door zijn hoofd en wilden niet helder worden. De onthulling was te schokkend geweest en hij kon het niet meteen verwerken. Maar er was geen tijd te verliezen, want Anselmus was in Genua en zat daar met zijn duivelse medesamenzweerders de verscheping van de kinderen te regelen…

Maar hoe regel je de inscheping van duizenden kinderen die een ánder wonder verwachten? Die morgen in alle staten zouden zijn omdat het beloofde wonder van een splijtende zee uitbleef?

‘Morgen…’ prevelde hij. ‘Johannis, wat is Anselmus van plan morgen? Zal hij erbij zijn als Nicolaas probeert de zee te bedwingen?’

‘Als het wonder faalt en de kinderen diep teleurgesteld naar de watervlakte staren en denken dat ze nu nooit in Jeruzalem zullen komen, dan is Anselmus van plan onverwachts op te duiken en te zeggen: God heeft toch voor een wonder gezorgd, lieve kinderen, Hij heeft schepen gestuurd.’

‘Juist. En hij is er zeker van dat die kinderen geen moment zullen aarzelen en de schepen juichend zullen bestormen?’

‘Zoiets…’

Dolf zuchtte. Ga maar eens zevenduizend geestdriftige kinderen tegenhouden, in je eentje!

Maar hij was toch niet alleen? Johannis zou hem helpen. En hij moest nog veel meer helpers hebben, al zijn vrienden!

‘Johannis, kan ik op u rekenen? Kunt u uw angst voor Anselmus opzij zetten en mij helpen de kinderen tegen te houden? Al was het maar om uw ziel te redden?’

‘Rudolf, ik… ja!’

‘Ga dan eerst praten met Dom Thaddeus. Vertel hem alles, hoort u, alles! Hij is een goed mens en erg slim bovendien. En hij heeft geen vermoeden van dit duivelse complot. Zijn invloed op de kinderen is groot, misschien weet hij een middel om ze tegen te houden.’ Johannis sidderde. Dolf zag tot zijn verbazing dat de man voor de zachtaardige Dom Thaddeus nog banger was dan voor de keiharde Rudolf van Amstelveen.

‘Niet aarzelen, Johannis,’ zei de jongen opspringend. ‘Er is geen tijd te verliezen. We moeten onmiddellijk handelen.’

‘Dom Thaddeus zal mij vervloeken,’ fluisterde de man in doodsangst.

‘Hij zal u vergeven met heel zijn grote hart,’ beloofde Dolf. En hij sleurde de berouwvolle zondaar mee.

Ze vonden Thaddeus in een hoekje van het kamp, bij Hilde en de zieken. Dolf liet de twee mannen alleen en ging op zoek naar Leonardo. Het begon al avond te worden. De kampvuurtjes vlamden op. Er werd nauwelijks meer gevist en bijna alle kinderen waren ‘thuis’. Dolf vond zijn vrienden aan de maaltijd. Ze aten zoute vissoep.

Snel greep Dolf een handvol gekookte garnalen en wenkte Leonardo. ‘Vlug, ik moet je spreken.’

Bijna ademloos vertelde Dolf wat hij zojuist van Johannis had vernomen. Leonardo luisterde zwijgend, zonder hem één keer in de rede te vallen.

‘We moeten iets doen,’ besloot hij wanhopig. ‘Hoe maken we de kinderen duidelijk dat ze bedrogen zijn?’

Leonardo dacht na. Hij was verontwaardigd, geschokt, maar zijn kalmte verloor hij niet.

‘Wat wil je doen?’ vroeg hij rustig.

‘Verhinderen dat de kinderen scheep gaan.’

‘Ja, dat zeker.’

‘Maar hoe?’ vroeg Dolf angstig.

‘Dat is vrij eenvoudig. Je denkt toch niet dat één schip de haven van Genua kan verlaten als de Doge het verbiedt?’

‘De… de Doge?’

‘Ja, de hertog van Genua. Een machtig man, dat kan ik je wel vertellen,’ knikte Leonardo. ‘Luister: jij blijft hier, want morgen zal een spannende dag worden en jij moet mijn ordebewakers daarop voorbereiden. Ik zal naar de stad gaan en ik neem Hilde van Marburg mee.’

‘Wat wil je in de stad gaan doen? En waarom Hilde?’

‘Rudolf, gebruik toch even je verstand. Ik ben Leonardo da Pisa, de zoon van de rijke koopman Bonacci. Mijn vader heeft zakenvrienden in Genua. Ik zal bij hen aanbevelingsbrieven halen, me toegang verschaffen tot het Dogenpaleis en de hertog van alles op de hoogte brengen. De Doge zal zich er niet om bekommeren wat er met Duitse zwervelingen gebeurt, maar hij zal niet toestaan dat christenkinderen van edel bloed als slaaf aan de heidenen worden overgeleverd. Daarom neem ik Hilde mee, om hem te bewijzen dat het kinderleger niet alleen uit uitschot bestaat.’

‘Denk je dat je tot de hertog kunt doordringen?’

‘Dat moet me lukken, hoe dan ook. En er is nóg een weg. De bisschop van Genua moet onmiddellijk worden ingelicht. Al deze kinderen zijn christenen; de bisschop zal niet kunnen toestaan dat zij aan de heidenen verkocht worden. Weet Dom Thaddeus het al?’

‘Ik heb Johannis bij hem gebracht en hij zou Thaddeus alles vertellen.’

‘Mooi. Dan is het verstandigst dat ik met Hilde naar de Doge ga, en dat Dom Thaddeus in Genua de bisschop gaat inlichten.’

‘Is het niet te laat geworden om nog naar de stad te gaan? Ze zullen jullie niet toelaten.’

‘Mij houdt niemand tegen,’ zei Leonardo kalm.

Dolf greep dankbaar zijn hand.

‘Wat zou ik zonder jou moeten beginnen, mijn vriend?’ zei hij geroerd.

‘Ja, dat vraag ik me ook wel eens af,’ antwoordde de student nuchter. Toen beende hij met grote passen naar het kampvuurtje en boog zich over de slaperige Mariecke.

‘Liefje, ik moet jullie voor een paar dagen verlaten. Pas goed op Rudolf. En als je me nooit terugziet, zul je dan van tijd tot tijd aan me denken?’

‘Wat ga je doen, Leonardo?’ vroeg het meisje verbaasd.

‘Jou redden, lief kind.’

Hij kuste haar, maakte snel zijn ezel los en verdween in de avond. Mariecke rende naar Dolf.

‘Wat is er aan de hand? Waarom gaat Leonardo weg? Gaat hij nu toch naar Bologna?’

‘Nog niet, kindje. Hij komt gauw weer terug,’ zei Dolf troostend.

Maar zo heel gerust voelde hij zich toch niet. Zou Leonardo erin slagen gehoor te krijgen bij de hertog? Zou Dom Thaddeus kunnen doordringen tot de bisschop? En wat zouden de Genuezen doen als ze ontdekten dat ze zaten opgescheept met zevenduizend gestrande kinderen?

Dolf keek rond. Het kamp zat er vredig bij. De kinderen aten, lachten met elkaar, spraken over hun verwachtingen. Morgen zou het grote wonder gebeuren, morgen zouden ze over de bodem van de drooggevallen zee naar Jeruzalem snellen. Wat zouden de Genuezen opkijken! Wat zou dat allemaal geweldig worden!

En Dolf stond voor de taak te zorgen dat er niets van terecht kwam. Dat hun immense teleurstelling niet zou worden misbruikt voor Anselmus’ duivelse plannen…

Hij moest hen voorbereiden — maar hoe?

‘Eet je niet?’ vroeg Mariecke bezorgd. Verstrooid nam Dolf nog een paar happen en zuchtte.

Nu was hij langer dan een maand op pad — zes weken al en opeens kwam het op enkele uren aan! Hoe moest hij het aanpakken, hoe moest hij de kinderen inlichten?

‘Kun je me niet vertellen wat er aan de hand is?’ drong Mariecke aan. Dolf keek naar haar, naar Peter, Frank, Bertho, Carl, hij dacht aan Frieda in het ziekenkamp, aan al die kleine, dappere leiders en opeens wist hij het!

‘Ja,’ zei hij rustig. ‘We gaan beraadslagen.’

Загрузка...