11 Ontwaken en ontmoeten

De nachten — op Tenebra tenminste — vielen de Drommiër Aminadabarlee moeilijk. Moeilijker nog waren ze voor de mensen die ’s nachts met hem te maken hadden. Het zien van mensen bij werkzaamheden die niet rechtstreeks bijdroegen tot de redding van zijn zoon, en dat voor een tijd van twee aardse dagen aan een stuk, kon hij nauwelijks verdragen. Al wist hij natuurlijk best dat er niets viel te doen zolang de agenten daar beneden waren uitgeschakeld, of zelfs buiten bewustzijn. Emotioneel maakte dat voor hem geen verschil; iemand, of iedereen moest iets doen, zeiden zijn klieren. Allengs en geheel onvermijdelijk, begon hij mensen te beschouwen als het meest gevoelloze en stijfkoppige ras van het melkwegstelsel. Dit alles ondanks de bekwame inspanningen van Rich, die er beroepshalve de handen aan vol had.

Totnogtoe was de vreemde reus niet tot gewelddaden afgedaald, maar meer dan één mens zorgde uit zijn buurt te blijven. Dit waren degenen die Drommiërs het minst gewend waren — totnogtoe. Raeker merkte dat hun aantal toenam. Zelf maakte Raeker zich niet bezorgd; daar was hij de man niet naar. Hij had het trouwens druk genoeg om Dromm en zijn opvliegende inboorlingen uit zijn gedachten te houden. Gelukkig hoefde de robot niet te vechten, geen enkel waterdier vertoonde zich bij het vlot of zijn hulpeloze passagiers. Aan de ene kant was dit een troost, als bioloog stelde het hem teleur. Hij had iets te weten willen komen over de wezens die een paar nachten eerder de verliezen hadden toegebracht aan de kudde van zijn leerlingen, en die kennelijk konden leven in een milieu met weinig zuurstof. In ieder geval was het viertal op het vlot veilig, al durfde niemand ze ver van de robot te laten drijven; men moest voortdurend opletten.

Met het verstrijken van de nacht werden de wervelstromen die het vlot voortstuwden minder, zoveel zwakker ook dat ze het bouwsel niet meer konden bewegen, hoewel het rest-gewicht ervan niet meer dan een paar kilo kon zijn. De man die de robot bestuurde merkte dat hij de machine steeds langer kon laten stilstaan. Op een zeker ogenblik viel Raeker zelfs in slaap in de regelstoel. Hij schrok echter uit zijn sluimering door een schrille kreet van de Drommiër: “En dan verwachten aardemensen dat je met ze samenwerkt!” op een duidelijk minachtende toon, en hij beging de vergissing niet nog eens. Het gaf niets: de passagiers van het vlot dreven ongedeerd rond toen de dag aanbrak. Dit stadium was het moeilijkst wat de bescherming betrof. Naarmate het water uit zee dampte nam de dichtheid van de laatste toe, en het vlot begon te drijven. Een gelukkig toeval was het dat er toen geen enkele stroming stond. Vlot en inzittenden gingen recht omhoog. Vanzelfsprekend, maar minder gelukkig, sloeg het hierdoor om, zodat de bestuurder van de robot gefrustreerd werd door de aanblik van de inboorlingen, die ondersteboven aan het drijvende platform hingen. Geleidelijk aan volgden zij het dalende zeevlak naar de grond. In de nacht waren ze weggedreven van de heuveltop, en zo kwamen ze terecht in een betrekkelijk kleine poel in een van de omliggende holten. Toen het tenslotte bleek dat de poel niet verder zou inkrimpen, moest de robot handelend optreden.

Gelukkig was het zuur ondiep — zo ondiep dat het vlot eerder gedragen werd door de lichamen eronder dan door eigen drijfkracht. Raeker stuurde de machine door de vloeistof en duwde de vier bewusteloze inboorlingen naar de wal. Eindelijk lag het rommelige gevaarte druipend op de kant van de oleumpoel, en het levend fundament kwam geleidelijk bij kennis.

Intussen had ook de scaaf de zee verlaten. Net als het vlot kwam hij terecht in een poel onderin een dal. Het verschil was dat hij niet dreef: de poel was te ondiep. Zodoende zaten Easy en haar vriend verschanst in een drukdicht kasteel met gracht en al, wat met succes verhinderde dat Snel en zijn mannen erbij konden komen.

Want Snel was aanwezig. Binnen een uur nadat de poel zijn kleinste omvang bereikte kwam hij opdagen, ondanks de geruime afstand die de scaaf ’s nachts was afgedreven. De zee lag uit het gezicht, verklaarde Easy. De wind die al het andere landinwaarts had gedreven, had het schip meegevoerd. Ze vond het niet erg; ze zei dat ze best met Snel overweg konden en ze scheen niet ondersteboven na het verhaal van Nicks nachtelijke tegenslag. Rich werd voor het eerst boos toen hij hoorde dat Raeker de kinderen had verteld van de vernietiging van het kamp en hij kalmeerde pas toen het meisje nadrukkelijk verklaarde dat het hun moreel niet in het minst had aangetast.

Raeker dacht voorlopig minder aan haar dan aan zijn reddingsactie, daarom was hij zo onvoorzichtig geweest in zijn woorden. Nick, Betsey, Jim en Jane waren allemaal veilig. De kaarten zaten behouden aan het vlot, evenals de meeste wapens. Toch nam het nogal wat tijd om uit te vinden waar ze zaten, hoe weinig ze ook waren afgedreven. Toen ze het kampterrein zagen liggen, leek het onwaarschijnlijk dat ze nog veel zouden vinden. De kudde zou wel weg zijn, of vrijwel weg; de kar — wie zou het zeggen? Eenzelfde tijd onder zee op aarde zou hem totaal vernielen. Hier viel er niets van te zeggen, maar Raeker zag het somber in.

Het vinden van de laatste vuurplaatsen bleek eenvoudiger dan verwacht. De wind was een leiddraad, toen dat eindelijk bij iemand opkwam — bij Jim, tot Raekers verrassing. Natuurlijk hadden hij en Jane er de hele terugweg uit hun gebieden tegen opgetornd, al hadden ze er toen niet veel betekenis aan gehecht. Nu diende hij om hun ‘richtingsgevoel’ te herstellen, voor Tenebranen, net als voor mensen, een samensmelting van herinnering en intuïtief begrip van de natuurverschijnselen. Toen ze eenmaal de richting van de zee kenden ging alles van een leien dakje, het was zonneklaar dat ze vrijwel recht het land in hadden gedreven. De kar en het restant van de waakvuren vonden ze in een uur. Raeker was oprecht verbaasd toen ze hem en zijn inhoud onbeschadigd terugvonden. Louter het feit dat de miniorkaan onderweg uit een gas in een nauwelijks dichtere vloeistof was veranderd maakte geen verschil voor de meeste massieve voorwerpen in zijn baan.

“Ik denk dat we tijd kunnen winnen,” zei hij tenslotte toen er orde op zaken was gesteld. “We kunnen nu teruggaan naar de zee en de boot meenemen. De kar laten we hier, met een brief erin voor de anderen. Dan kunnen ze ons achterna gaan, of het kamp verhuizen, al naar de tijd dat ze terugkomen. Wij zullen de boot proberen en de kust zover zuidelijk afzoeken als de tijd vandaag toelaat.”

“Hoe bedoel je?” vroeg Nick. “Zoeken tot het donker wordt, of zolang er genoeg tijd is om hier voor donker terug te zijn?”

“Tot vlak voor donker,” zei Raeker dadelijk. “We gaan vooruit tot we het genoeg vinden, en dan gaan we recht het land in om op tijd veilig te zijn voor de zee.”

“Dan kunnen de anderen beter in ieder geval het kamp verhuizen, en met de kar naar het zuiden gaan. Wij krijgen te maken met een voedselprobleem, en zij ook, nu de kudde weg is.”

“Weg? Ik meende er nogal wat te zien; Jim en Jane verzamelden ze toch?”

“Dat is wel zo, ze zijn niet allemaal verdwenen. Maar het zijn er zo weinig dat we er geen meer durven eten tot ze zich weer voortplanten. Deze keer vonden we zelfs geen schubben van de rest!”

“Nee? Toch zag ik vannacht geen dieren in de zee. Ik vermoed dat het ontbrekende vee eerder verdwaald is dan opgegeten.”

“Mogelijk, maar nu zijn ze weg, wat ons betreft. Als we nu allevier naar zee gaan om de boot te proberen kunnen we ze niet zoeken.”

Raeker overdacht dit snel. Het verlies van de kudde betekende een ernstige slag voor zijn gemeenschap. Opvoeding met afstandsbediening is niet voldoende om een stel jachtnomaden om te vormen tot een geregelde beschaving met vrije tijd voor intellectuele zaken. Zonder de kudde hadden zijn leerlingen vrijwel al hun tijd nodig om voedsel te zoeken. Toch zouden ze blijven leven; maar tenzij Easy en haar metgezel nu gauw werden opgehaald, zouden zij dat waarschijnlijk niet. De werkelijke vraag was dus niet of ze iemand konden missen bij de jacht op het vee, maar hoeveel man er nodig waren voor het testen van de boot, en — als de test succes had — voor het daaropvolgende zoeken naar de scaaf.

Zeker zou hij minder snel zinken met twee man dan met vier. Aan de andere kant konden vier man hem sneller voortbewegen — opeens bedacht Raeker dat hij noch Nick al aandacht hadden geschonken aan de voortstuwing van het vlot. Hij veronderstelde dat peddels of zoiets wel het enige waren; het idee om Nick zeilen bij te brengen op een wereld waar zo goed als geen wind was, met de dichtstbijzijnde zeiltrainer op zestien lichtjaren afstand, leek nogal onpraktisch. Maar als spieren voor de aandrijving zorgden, hoe meer spieren hoe beter.

“Jullie gaan allemaal naar zee. De kudde komt later wel. Als de boot niet iedereen kan dragen, kan de rest teruggaan en op de dieren jagen. Eerst komt het zoeken.”

“In orde.” Nick liet het onverschilliger klinken dan hij zich voelde. Tengevolge van Raekers opleiding, had hij zijn hele leven gemeend dat de veiligheid van de kudde een van de belangrijkste overwegingen was. Maar als deze zoekpartij voorrang had, moest het wel veel betekenen voor de Leraar. Hij wilde dat het ook voor hem zoveel betekende. Het gaf hem te denken; hij piekerde, maar sprak niet tegen. Het viertal kon de boot makkelijk dragen, al ging het lastig tegen wind — het waaide vandaag nog harder, merkte Nick. Aan de ene kant was dat een voordeel: een laatste blik op de verlaten restanten van de kudde bewees hoe een reusachtige zwever eroverheen werd gejaagd door de wilde luchtstroom en hoe die zich ondanks alle inspanningen niet terug kon werken naar de hulpeloze dieren.

Nick wees zijn vrienden op het voorval, en allen voelden zich wat beter.

De drie kilometer naar zee werden vrij snel afgelegd en zonder omhaal werd de boot dadelijk geprobeerd. Ze droegen hem tot hun middel in het zuur, legden hem neer en klommen meteen aan boord.

Hij droeg ze, net aan. De drijvers gingen helemaal onder, en het geraamte vrijwel ook. Het was niet moeilijk boven te blijven, maar wel om de zaak vlak te houden. Ze waren allevier haast even oud, maar er zat enige verschil in hun gewicht. Als ze zich stilhielden ging telkens een kant dieper liggen. Iedere keer krabbelden ze dan natuurlijk naar de andere kant waarbij ze onvermijdelijk teveel tegenwicht gaven, zodat het vlot eerst griezelig naar de ene kant schommelde en dan weer naar de andere. Het kostte verscheidene minuten en veel nutteloze moeite en woorden voor ze het onder de knie kregen; het duurde nog langer voor ze konden omgaan met de peddels die Fagin had laten maken. De robot zelf kon niet veel uitrichten. Als hij aan wal bleef konden de mannen het vlot niet goed zien, en als hij door de zee naar het vaartuig kroop kon hij zich niet verstaanbaar maken — de grenslaag tussen het zuur en de lucht was scherp genoeg om de geluidsgolven vrijwel geheel te weerkaatsen.

“Waarom laat u ze dat eigenlijk doen?” vroeg Aminadabarlee tenslotte zuur.

“De robot kan net zo snel langs het strand gaan als zij dat lachwekkende ding kunnen roeien, en de bathyscaaf ligt niet eens in zee. Als u denkt dat die leerlingen enig nut zullen hebben, waarom laat u ze dan niet met de machine meelopen?”

“Omdat ze, al is alles wat u zegt waar, de kinderen niet zonder boot kunnen bereiken. Als Nick en zijn vrienden ook te voet gaan zoeken is dat waarschijnlijk tijdverspilling, want dan moeten ze helemaal terug voor de boot als ze de scaaf eenmaal vinden.”

“Juist ja,” zei de Drommiër. Raeker keek hem even aan. De kerel was ongewoon minzaam, gezien de omstandigheden. Maar de man had geen tijd om bij de mogelijke reden stil te staan; Nick en zijn kameraden eisten al zijn aandacht. Toch sprak hij over zijn schouder — indachtig de opdracht van Rich om de grote otter zo beleefd mogelijk te behandelen: “Er is iets dat nuttig kan zijn. U hebt de hele tijd met uw zoon gepraat, net als Raadsheer Rich en ik met Easy. Dacht u dat hij er met een extra taak op vooruit zou gaan?”

“Wat dan?”

“Kijk, als hij net zo goed in talen is als we van Easy dachten, kan hij er misschien beter achter komen wat de holbewoners in hun schild voeren. Snel weet blijkbaar net zo goed waar het kamp is als waar de scaaf ligt. Het zou een hele steun zijn als iemand hem de onderlinge richting kon ontfutselen.

De uitdrukking van de Drommiër was niet te lezen, maar zijn stem wekte een indruk van grote instemming, voor zijn doen.

“Dat is de eerste verstandige opmerking in vijf weken,” zei hij. “Ik zal het Aminadorneldo uitleggen. Ik kan niet verwachten dat het meisje dat zelf doet, of hem helpt.” De diplomaat diende geprezen te worden voor wat bij hem het uiterste was in tact, beleefdheid en zelfbeheersing — hij had niet eens geopperd dat je geen hulp mocht verwachten van een mens, waar het een situatie betrof die verstand vereiste. Hij besloot persoonlijk naar de verbindingskamer te gaan en niet van hieruit te handelen — het relaisstelsel was betrouwbaar, maar opgesteld in een hoek die om anatomische redenen nogal ongemakkelijk voor hem was. Helaas bleek de toestand in de andere ruimte nog erger; het was er propvol met mensen. Door het voorste deel van zijn lange lijf op te tillen kon hij met gemak over ze heen kijken, en hij ontwaarde zo het gezicht van het mensenkind op het scherm van de scaaf. Zijn eigen zoon was ook te zien, helemaal achteraan, maar alleen de mensenstem was hoorbaar — zoals altijd, bedacht hij. De mannen luisterden gespannen en zonder nadenken hield Aminadabarlee stil om hetzelfde te doen, voor hij de wezens in zijn pad uiteenjoeg.

“Hoe we de vraag ook stellen, we krijgen steeds hetzelfde antwoord,” zei ze net. “Eerst leek hij verbaasd dat we het niet wisten. Daar is hij nu overheen, maar hij houdt vol dat Nick en Fagin hem zeiden waar we lagen.”

“Hoe vaak je dat ook zegt, mij klinkt dat nogal dwaas,” snauwde een van de geleerden.

“Weet je zeker dat het niet aan de taal ligt?”

“Heel zeker.” Easy leek niet verontwaardigd over deze vraag. “U wilde weten hoe hij ons zo gauw vond, en dat vroeg ik. Hij beweert dat Nick hem de nodige gegevens verschafte, en die had het weer van de robot; dat heb ik u verteld. Ik herinner me niet precies wat ze tegen de gevangene zeiden toen ze hem hadden. U kunt beter de opname afdraaien om te zien wat u ervan terugvindt. Ofwel de gevangene zelf leidde het af uit wat Nick zei of Snel deed het uit het verslag van de gevangene. Het eerste lijkt me logischer.”

Er ontging Easy Rich niet veel. Aminadabarlee zou het daar natuurlijk niet mee eens zijn. Haar bekentenis dat ze niet precies meer wist wat er gezegd was in een bepaald gesprek deed zijn achting voor haar dalen. Toch begreep ook hij niet meer dan de aanwezige geleerden, wat de holbewoners konden afleiden uit de vage beschrijving van een terrein dat ze nooit hadden gezien.

Toen ging hem een licht op en hij liet zich op de grond zakken om even na te denken. Hij voelde zich haast schuldig bij de gedachte dat hij alle echte plannen aan de mensen had overgelaten. Als ze nu eens even stil wilden zijn voor een minuut of twee om hem zijn gedachten te laten ordenen — maar nee hoor. Ze bleven opgewonden hun opmerkingen en vragen roepen naar het kind daar ver beneden.

“Wacht eens!” Een geofysicus kreeg een idee. Aminadabarlee lette er niet erg op. “Dit lijkt vergezocht; maar heel wat primitieve stammen op aarde en andere plaatsen worden verrekte goeie weervoorspellers — onze voorouders wisten wanneer de lente kwam, weet je wel, en ze bouwden dingen als Stonehenge.”

“Waar is het verband?” vroegen verscheidene stemmen tegelijk, zij het niet in dezelfde woorden.

“Deze planeet kent geen weer in onze betekenis, maar de aardvorming gaat in een tempo dat het tot een soort klimaat maakt. Ik bedacht ineens dat ze de gevangene vertelden dat de scaaf verscheidene dagen bewegingloos in hetzelfde meer lag, en pas later langs een rivier naar zee dreef. Als we het ‘weer’ op Tenebra goed begrijpen, moet dat een splinternieuwe rivier zijn! Dat gegeven is genoeg voor elke inboorling — tenminste elke inboorling die niet is afgesneden van zijn geschiedenis, of folklore, of wat daar in Tenebra voor staat. Zelf hadden ze de streek van die rivier misschien nooit betreden, maar hij lag zo dichtbij hun normale jachtgebied dat ze begrepen waar hij lag.”

“Ik zal de alcohol in het lab eens controleren,” smaalde een van de toehoorders. Die opmerking bracht de voorsteller van het idee pas goed op gang. “Easy!” riep hij. “Je hoorde wat ik net bedacht. Vraag eens aan Snel of het waar is dat hij weet wanneer zich nieuwe rivieren en heuvels voordoen. Vraag hem hoe hij durft te wonen in die rotsholen — die zover wij weten elke dag door een aardschok kunnen instorten!”

“Komt in orde,” zei het meisje bedaard. Haar gezicht verdween uit het beeld. Aminadabarlee was veel te kwaad om dat te merken. Hoe durfden deze monstertjes zijn ideeën uit zijn geest te stelen, en voor zichzelf op te eisen? Goed, hij had de details nog niet uitgewerkt, maar het was hetzelfde idee als die mens te berde had gebracht; daar was hij zeker van. Natuurlijk was het wat vergezocht — ja zeker, nu hij er wat beter over dacht. Het hele idee was louter gissingen, en het was jammer dat het meisje er tijd aan ging verspillen. Hij zou maar naar binnen gaan en zijn. zoon de zwakke plekken in het idee wijzen, en dan een meer vruchtbare wijziging aanbrengen, zodra hij de details had uitgewerkt — toen pas merkte hij dat ook Aminadorneldo uit het beeld was; zeker met het meisje mee. Wel, dat was niet erg; hij moest eerst nog wat nadenken. Dit deed hij een kwartier lang, zonder veel acht te slaan op wat de mensen zeiden, tot de kinderen terugkwamen. Ze rapporteerden zonder omhaal of zichtbare opwinding.

“Het lijkt of u gelijk hebt,” zei Easy. “Ze schijnen verbaasd dat niet iedereen weet of een gebied last krijgt van aardschokken, of wanneer een meer gaat overlopen en in welke richting. Voor hen is het zo vanzelfsprekend dat ze er nogal moeite mee hebben om me te vertellen wat de aanwijzingen zijn.” De geofysicus en zijn collega’s keken elkaar haast verzaligd aan. “Laat ze doorgaan!” zei de eerste nadrukkelijk. “Noteer alles wat ze zeggen en geef het door, of je het begrijpt of niet. Te bedenken dat we Raekers leerlingen wilden gebruiken om de korstdynamiek van deze planeet te weten te komen!”

Aminadabarlee zag niet hoe dit terzake kon zijn; het was de laatste druppel. Hij vergat alle beleefdheidsvormen, menselijk of Drommisch, en baande zich door de kamer, terwijl zijn stroomlijnvorm de mensen uiteendreef zoals een schip door het water snijdt. Voor het scherm rees hij omhoog en begon, langs Easy’s gezicht alsof ze niet bestond, aan een oorverdovende tirade in zijn eigen taal tot zijn eigen zoon. Niemand onderbrak hem; de omvang en de tienklauwige ledematen van het wezen zouden iedereen al voorzichtig maken, zelfs al wist je niets van Drommiërs. Nu had Raadsheer Rich bovendien verscheidene indrukwekkende gegevens verspreid onder de bemanning van de Vindemiatrix, dus voorzichtigheid sprak vanzelf.

De schrille tonen werden afgewisseld met andere uit het toestel. Kennelijk probeerde de zoon ertussen te komen. Maar dat lukte niet: de oude staakte zijn verhaal pas toen zijn spraakvoorraad leek uitgeput. Toen kwam er antwoord, maar niet van Aminadorneldo.

Het was Easy, en zij antwoordde in haar eigen taal, want zelfs haar stembanden waren niet tegen het Drommisch opgewassen.

“Dat hebben we hem al gezegd, meneer. Dr. Raeker vroeg me het u te vertellen als u er was. U was daar net weg toen we het hem vertelden, en ik zag u niet. Hij heeft het aan Nick verteld en de boot zal ruim voor de nacht zo dichtbij zijn als overzee te halen valt. Dan gaan ze ermee het land in. Snel zegt dat ze onze lichten uit zee kunnen zien, dus de robot ging terug naar het kamp om de anderen te halen.” De Drommiër stond versteld, maar hij wist zich voldoende te beheersen om van taal te wisselen.

“U had Snel al naar de richting van het kamp gevraagd?” vroeg hij, nogal verslagen.

“O ja. Mina dacht daar al eerder aan. Ik had het dr. Raeker of een van u al eerder moeten zeggen.” Het feit dat zijn zoon dat had bedacht bracht Aminadabarlee aardig tot rust. Inwendig vroegen de meeste mannen in de kamer zich af hoeveel waarheid het meisje had gesproken. Ze kenden nu de werkelijke leeftijd van de Drommiër en ze begonnen Easy ook aardig te kennen.

“Hoe lang duurt het om u te bereiken — voor Nick dan?” vroeg Aminadabarlee.

“In de middag, denkt Snel. Te voet — hij weet niet hoe vlug de boot gaat.”

“Hebt u hem van de boot verteld?”

“Natuurlijk. Hij vroeg zich af hoe hij dichter bij het schip kon komen. Deze poel is te diep voor hem om te doorwaden, en zwemmen lijken ze niet te kunnen. Ik stelde ze voor hierheen te varen met een houten vlot, maar hout zinkt op deze gekke planeet.”

“U schijnt heel wat met die mensen te bepraten. Kent u de taal echt zo goed?”

“Redelijk, maar we zijn nog langzaam. Maar als u Snel iets wilt vragen, zegt u het maar.”

“Nee — momenteel niets,” zei de Drommiër haastig. “U hebt uw vriend Snel niet voorgesteld zo’n vlot te maken als Nick heeft?”

“Jazeker, maar hij kan het niet. Zijn mensen kunnen de nodige huiden wel krijgen natuurlijk, maar ze kunnen geen dichte — ik wilde zeggen: luchtdichte zakken ervan maken. Ze weten niet hoe ze de lijm moeten maken die Nick gebruikte, en ik ook niet. Hij wacht tot Nick hier is met de boot.”

“En dan neemt hij hem natuurlijk af.”

“Welnee. Hij heeft niets tegen Nick. Ik heb hem verteld wie Nick is — hoe de robot de eieren gestolen had van de plek waar Snels mensen ze laten uitkomen. Ik denk dat hij een beetje kwaad is op de robot, maar dat is niet erg. Ik zei dat ik hem alles wilde leren dat hij wilde weten, en dat Nick al heel wat had geleerd en wel zou helpen. We kunnen goed met elkaar opschieten.” De Drommiër was verbijsterd, en liet dat merken.

“Heeft dr. Raeker u dat allemaal gezegd?”

“O nee. Ik heb het zelf bedacht — of liever, Mina en ik. Het leek ons het handigst om met deze holenmensen bevriend te raken. Misschien kunnen ze het schip geen kwaad doen als ze boos worden, maar daar konden we niet zeker van zijn.”

“Juist ja.” Aminadabarlee was een beetje verdoofd. Hij brak het gesprek afwezig maar beleefd af — tegenover Easy had hij nooit het gedrag vertoond dat zich van nature bij hem voordeed in gesprek met andere mensen — en hij begaf zich naar Raekers observatiekamer. De geleerden ondervroegen het meisje alweer voor hij de kamer uit was.

Het scheen zijn noodlot zich op het verkeerde moment te verplaatsen, die dag. Hij was in de gang toen Easy de richting van de scaaf opgaf aan Raeker en Nick. Hij was daar weer toen de vier ontdekkers van de vulkaan terugkeerden en verslag uitbrachten aan hun leraar. Intussen had hij ook even gegeten en hij kwam pas de kamer in toen het rapport al was afgesloten. Toen waren de vier inboorlingen al onderweg met de robot, de kar op sleeptouw erachteraan. Ze beantwoordden een onafgebroken vloed van vragen van de geleerden, waarbij sommigen zich bedienden van het relaisstelsel en anderen naar de observatiekamer kwamen. De verbijsterde Drommiër vond deze ruimte dan ook net zo vol als de andere was geweest, en het kostte hem enige tijd voor hij hoogte kreeg van de heen en weer vliegende vragen en antwoorden.

“Misschien krijgen we de afstand met driehoeksmeting — de wind bij het kamp en de scaaf moet er recht naartoe waaien.”

“Maar de richting is er niet precies bekend. De wind zal trouwens wel afwijken door de corioliskrachten.”

“Niet zoveel op Tenebra. Maar je keert de zaken om: de berg staat al op de kaart. Met wat meer gegevens kunnen we de windrichting gebruiken om de scaaf te localiseren — “

Dit was wat de Drommiër bij zijn binnenkomst hoorde; het bracht hem danig in de war. Toen hij even later het bestaan van een vulkaan afleidde, werd het hem wat duidelijker. Hij begreep hoe zulk een warmtebron stromingen teweeg kon brengen, zelfs in Tenebra’s samengeperste bemanteling. Maar er was alweer een nieuwe vraag die hem plaagde. “Hoe sterk wordt de wind, dacht u? Als hij de zee elke nacht verder het land instuwt, hoe dicht worden de kinderen dan naar de vulkaan gespoeld?”

“Daarover hoeven we nog niet bezorgd te zijn, denk ik. Wind of geen wind, zover landinwaarts is de zee grotendeels water, en daarmee drijven ze niet ver. Ik wed trouwens, al gaat dit zo door, dat er zelfs mijlenver eromheen geen vloeibaar water is, ’s nachts of overdag.”

“Vloeistof of gas, het kan altijd het schip bewegen. Het verschil in dichtheid is de moeite niet.”

“Maar het verschil in viscositeit wel.” Dat hoorde Aminadabarlee al niet meer, het gaf hem stof om zich druk over te maken, en daar was hij goed in. Op topsnelheid snelde hij terug naar de verbindingskamer; hij wilde niet dat er weer iets gebeurde terwijl hij weg was. Hij wist het doel te bereiken zonder iemand te bezeren, al ontkwamen sommigen maar nauwelijks aan zijn voorbijschietende lichaam dat door de gangen gleed.

De geleerden hadden zich door deze attractie van Easy afgekeerd, en momenteel was het scherm van de scaaf donker. Aminadabarlee verspilde geen tijd aan de vraag of de kinderen sliepen, of misschien in gesprek waren met de holbewoners. Evenmin verspilde hij tijd aan de vraag of hij wel hardop aan de kinderen mocht vragen wat hem voor de geest stond. Raeker zou hij er een flinke uitbrander voor gegeven hebben; maar dit was een ander geval natuurlijk.

“Juffrouw Rich! Mina!” gilde hij zonder omwegen in de microfoon. Het antwoord liet enkele minuten op zich wachten, en hij herhaalde de roep op een toon die zijn rasgenoten ongeduldig zouden vinden. Maar weinig mensen hoorden het verschil met zijn gewone stem. Toen Easy ditmaal op het scherm kwam, wreef ze zich nog de slaap uit de ogen; het gebaar zei hem niets, of hij negeerde het.

“Waar is mijn zoon?” vroeg hij.

“Die slaapt.” Gewoonlijk was Easy niet zo kortaf.

“Wel, met u gaat het ook wel. Hoorde u dat ze de oorzaak van de wind hebben gevonden?”

“Ja, ik begrijp dat het een vulkaan is. Meteen daarna gingen we slapen. Is er meer nieuws?”

“Nieuws? Niet precies. Een paar van die menselijke waarzeggers zijn tot het besef gekomen dat uw schip elke nacht dichterbij de vulkaan kan waaien, tot u in ernstige moeilijkheden komt. Wat vindt uw vriend Snel daarvan? Ze zeggen dat hij kan voorspellen wat deze planeet doet, en elke morgen schijnt hij u te kunnen terugvinden.”

“Zo. Wel, dat duurt zeker nog wel een paar dagen. Van hieruit kunnen we het licht van de vulkaan niet zien.”

“U niet, bedoelt u. Het gaat nu om wat de inboorlingen zien, en wat zij vinden. Hebt u dat aan Snel gevraagd?”

“Nee. Dit wist ik nog niet. Trouwens, ik maak me geen zorgen: als ze het licht zagen, zouden ze het wel zeggen — ze zouden denken dat het de robot was. We kunnen de vulkaan onmogelijk bereiken binnen zo weinig dagen — zeker niet morgen.”

“Wie heeft het over morgen? Hoe de mensen ooit hun beschaving hebben bereikt, wat ze er dan van hebben, is me een raadsel. Verstandige wezens denken vooruit.”

“Verstandige wezens maken hun gevolgtrekkingen ook wat voorzichtiger,” snibde het meisje, in de eerste vlaag van woede sedert het ongeluk. “Na morgen zie ik helemaal geen zorgen, want tegen het eind van die dag zijn we hier niet meer. Vertelt u meneer Sakiiro maar dat hij een veerschip klaar houdt om ons op te vangen.” Ze liet hem haar rug zien en liep — of schreed — uit zijn gezichtsveld. Aminadabarlee was te verbijsterd om zich de onbeleefdheid aan te trekken.

Загрузка...